Michel van Egmond: dol op verhalen

Michel van Egmond werd dit jaar wederom bekroond met de NS Publieksprijs voor zijn biografie Kieft over het in drugs gedrenkte bestaan van de gelijknamige voetballer. Een monoloog over taboes in het voetbal, de wetten van de kleedkamer, de magie van VI, Louis en Truus van Gaal en Arnon Grunberg. ,,Ik stel me op als een halve gare.”

Dol op verhalen

Dol op verhalen

,,Als zeventienjarige - ik was sportverslaggevertje bij de Zoetermeersche Courant - had ik er al een hekel aan om trainers na afloop van een wedstrijd te interviewen. Een ongemakkelijk toneelstukje. Ik scholier, de trainer gemeenteambtenaar. Maar omdat het zondagmiddag is, speel jij Bob Woodward en Carl Bernstein en acteert hij Ernst Happel. Gênant.

Vanaf mijn twaalfde wilde ik sportjournalist worden. Ik speelde als onbegrepen rechtsbuiten bij DWO in Zoetermeer. Alles op techniek, nul mentaliteit. Mijn vriendjes waren bloedchagrijnig als we verloren. Ik wist de uitslag niet eens.

Chocomel

Als jongetje kijk je tegen de voetbalwereld op. Wilde daar deel van uitmaken. Maar hoe, als je talent ontbeert? De journalistiek leek me de beste opstap. Ik genoot van de stoere verhalen van oudere collega's, van wie er een ooit een chocomel met Ruud Krol had gedronken. Ik werd gek bij de gedachte.

Ik ben dol op verhalen. Dat heb ik van mijn vader. Die kan fantastisch vertellen, herkent een goed verhaal onmiddellijk. Als ik vroeger met hem door Den Haag liep en we hoorden iemand in plat Haags vertellen, liepen we er instinctief achteraan om te luisteren. Mond dicht, oren open.

Mijn ouders waren beiden kappers - de kapsalon is dé voedingsbodem van het verhaal. Thuis ging het nooit over krulspelden. In de kappersstoel leggen mensen hun ziel en zaligheid bloot.

Als kind was ik al observator. Buiten de kring, liever aan de rand. Ik ben van de bijzaken, de details. Bovendien heb ik kennelijk oog voor de tragikomische kant van mijn omgeving. Zo zijn de boeken over Gijp en Kieft ontstaan.

Gewauwel

Zelf mijd ik het interview. Dat is in het voetbal te vaak trekken aan een dood paard. Onder collega's in de kroeg constateren we dat er nauwelijks voetballers zijn die iets te melden hebben. Maar we verlaten het café en reizen heel de wereld over om diezelfde gasten een cassetterecorder onder hun neus te houden en dat gewauwel klakkeloos op te tikken.

De quote in de voetbaljournalistiek is sowieso zwaar overgewaardeerd. Een voetballer die ongearticuleerd in de microfoon hijgt - ik kan dat gelul na afloop van een wedstrijd niet aanhoren. Spelers neem ik niks kwalijk. Ik zou ook niks zeggen in die overspannen omgeving. De gevolgen ervan wegen niet op tegen het plezier je een keer uit te spreken. Trouwens, op je zeventiende kom je net kijken. Wat weet je nou van het leven?

Observeren

Toch - het cliché dat voetballers niks te melden hebben is niet eerlijk. Ik reisde met Ibrahim Afellay mee naar Barcelona. Hij werd steeds nerveuzer dat ik hem niet interviewde. Dat hoort immers zo. Maar ik observeerde alleen.

Na drie dagen vond ik het een heel aardige jongen. Hij was met moeder, tegen wie hij ontzettend lief deed. Een mooi beeld, moeder op de grasmat van Camp Nou. Na afloop zaten we op de luchthaven. ‘Waarom vraag je nou niks?', zei hij. ‘Zonde van de energie', antwoordde ik. ‘Je hebt echt wel iets te zeggen, maar straalt uit dat je niet genegen bent dat te doen'.

En wat wil je? Die jongen is opgegroeid in de kleedkamer van PSV. Daar leer je van Van Bommel en Waterreus: ‘Straks kom je naar buiten waar van die heel slecht geklede gasten staan die uit d'r bek stinken. Journalisten dus. Neem dus de achteruitgang en ga pleite.'

Ouwehoeren

Ik spreek mensen bij voorkeur in de auto. Het is als in de kappersstoel een bijna natuurlijke manier van communiceren. Als ik met jou naar Heerenveen rijd, beginnen we automatisch te ouwehoeren. Soms neem ik het op. Of noteer ik het als ik sta te pissen bij het tankstation.

Ik heb nooit een vooropgezet plan. In de buurt zijn, observeren, luisteren. Niks ensceneren. Ik stel me dikwijls als een halve gare op. Jarenlang stond VI , het weekblad, op de zwarte lijst bij Louis Van Gaal. ‘Waarom maken we nooit een verhaal met Van Gaal', vroeg ik ooit. ‘Omdat hij niet met ons praat', werd er gezegd. Maar - kun je daarom geen verhaal maken?

Truus

In zijn Bayern München-tijd ging Van Gaal naar de Frankfurter Buchmesse om zijn in het Duits vertaalde biografie op te luisteren. Ik was daarbij. Daar kwam hij, met Truus. Ik loop dan voortdurend in de weg tot iemand zegt: ‘Wie ben je en wat komt je doen?' Gek genoeg kom je altijd ver.

Die persconferentie, schitterend. Toen Louis zich op het podium verslikte, snelde Truus toe met een pepermuntje. Zo, denk ik dan. Ik ben hier niet voor niets. Zoiets sla je op. Als ik Van Gaal volg, spreek ik meestal met Truus. Die praat vanzelf tegen je. Tegen Van Gaal zei ik: ‘Ik kom een stukje voor VI maken'. ‘Nou, gefeliciteerd', zei hij.

Toen hij klaar was hobbelde ik mee naar de parkeerplaats. Van Gaal verdween in een Mercedes. Op een gegeven moment zwaait het portier open en riep hij: ‘Michel, moet je nog wat vragen…?' Toen was het lullig om nee te zeggen. We hebben in zijn hotel nog drie kwartier gesproken.

Nee, niet over voetbalzaken. Hij wordt er gek van - mij interesseert het geen reet. Ik begin over het ontbijt. En of hij van hotels houdt. Onschuldige dingen. Ik kijk en luister. Bijvoorbeeld als hij koffie bestelt en de ober uitlegt hoe je een koffie Macchiato maakt: ‘Eerst de melk, dan de...' Ik hoef niks te onthullen, ben niet op zoek naar wat hij achterhoudt. Ik wil weten hoe hij is.

Lezen

Sinds Gijp en Kieft vragen mensen twee dingen: hoeveel geld levert het op en hoe is het verdeeld? Schijnt interessant te zijn. Iedereen praat over de publiciteitsmachine van VI op tv, die volledig verantwoordelijk is voor het succes van het boek. Minachtend voor mijn lezers. Alsof zij een boek kopen als je het maar vaak genoeg in hun gezicht duwt.

Van Gijp en Kieft zijn bijna een half miljoen stuks verkocht - Gijp is het best verkochte sportboek ooit. Je spreekt een groep aan die nooit leest. Als je je best doet heb het in drie uur uit. Het is luchtig, grote letters. Een jongen mailde me: ‘Ik las nooit een boek, maar ik ben nu drie weken bezig en al op de helft'. Dat je mensen het genoegen van het lezen geeft is hoopvol.

Onlangs zat Arnon Grunberg in De Balie in Amsterdam en interviewde Wim Kieft aan de hand van mijn boek. Dat vond hij mooi. Ik bewonder die gozer zo. Zei tegen hem: ‘Dit is zó cult dat jij uit mijn boek citeert. Dat is 25 jaar andersom geweest'. Het is of Johan Cruijff zegt dat je wel een aardige rechtsbuiten bent.

Schuld

Psychiater Bram Bakker typeert mijn boeken als ‘vrouwenboeken.' Dat klopt wel. Ze gaan over gevoelens, emoties. Over schaamte en schuld. Niet over een bal op de paal of de buitenspelval.

Hè, hè, natuurlijk vertel ik niet over wie het volgende boek gaat. Breng de concurrentie niet op ideeën. Het wordt een voormalige voetballer. Een bijzonder verhaal, denk ik.

Ik val voor één opmerking, één detail. Iemands accent bijvoorbeeld. Dat had ik vroeger al. Als ik iemand had geïnterviewd informeerden ze op de krant hoe het was verlopen. ‘Volgens mij komt die man uit Zeeuws Vlaanderen', zei ik dan. ‘Maar wát heeft hij gezegd?' Ik had geen idee. Had alleen maar naar z'n uitspraak geluisterd.

Ik raakte geïnteresseerd in Kieft omdat hij in alle Amsterdamse hotels verbleef. Hij durfde niet thuis te slapen. Dat boeit me. Met René van der Gijp klikte het snel. Ik reed met hem naar een lezing in Arnhem. We moesten de auto bijna aan de kant zetten van het lachen.

‘Wat ga je zeggen?', vroeg ik. ‘Ach, zien we daar wel', antwoordde hij. En wat gebeurt er? Ik hoor het ene na het andere verhaal dat ik in de auto had verteld. En dan veel mooier gemaakt. In die gozer zit een boek, dacht ik. ‘Je doet je best maar', zei Gijp. Vanaf dat moment belden we bijna dagelijks en volgde ik hem. Hoewel, volgen… Hij lag hoofdzakelijk op de bank.

Wim gaf zich gigantisch bloot, ik voelde een grote verantwoordelijk. We kenden elkaar nauwelijks en ineens keert iemand zichzelf compleet binnenstebuiten. Hij vertelde dat hij dagelijks naar Narcotics Anonymous ging. De vragen die hij daarvoor aan zichzelf stelde en moest beantwoorden, noteerde hij in schriftjes en multomappen.

Ik heb, bijna beschaamd, gevraagd of ik die mocht inzien. Wim zei: ‘Je mag ze hebben' en overhandigde me een plastic tas. ‘Hier heb je mijn leven. Dit ben ik in die tas'. Toen ik het las was ik soms te beschroomd de bladzijden om te slaan. Ik keek recht in zijn ziel. Las zijn grootste angsten, teleurstellingen, fobieën, zijn schaamte. Confronterend.

Herkenning? Ik gebruik geen harddrugs en heb evenmin talent depressief te worden. Bij René herken ik wel zijn laconieke kant. Maar zijn fobietjes, nee… Smetvrees, drie keer per dag je auto uitzuigen, alles recht leggen…

Vervormd

Het liefst interview ik onbekende mensen. Bekende Nederlanders zijn vaak volkomen vervormd door de tv. Hugo Borst is een van de weinigen dat bij zichzelf zag. Hij trok de stekker er uit. Nu is hij enorm opgeknapt.

Bij tv doen alle mensen om je heen of je bijzonder bent. Daar ga je zelf in geloven. Je schenkt je eigen koffie niet in, ontvangt cadeautjes, een vorstelijk salaris. Prijzen die niks voorstellen, maar worden gepresenteerd als Nobelprijzen. Mensen die 500 keer per dag met je op de foto willen...

Voetballers die ontsporen - ik begrijp het. Als ze mij op mijn achttiende uitroepen tot zoon van God en me miljoenen betalen, word ik veel gekker dan al die gasten bij elkaar. Iedereen, ook journalisten, behandelt die jongens als prinsjes. Eén keer een bal naar de juiste kleur ingooien en ze heten de nieuwe Cruijff. Maar als ze zich er naar gedragen, zeggen we: ‘Wel normaal doen, hè?'

Onkunde

Ik ben nu bezig met een boek over het tv-programma Voetbal International . Daar heb ik vanaf het begin aan meegewerkt. De werktitel is Topshow, dat roept Wilfred dikwijls aan tafel. VI is een mysterie, spot met alle tv-wetten. John de Mol was ooit te gast. ‘Dit kan helemaal niet', zei hij. ‘Zo maak je geen tv'. Maar het werkt. Dat we het draaiboek steeds meer negeerden is, vermoed ik, mijn aandeel in het succes. Maar VI is geboren uit totale onkunde.

Genee, Gijp en Derksen, die drie is pure magie. Het past precies. Als de een z'n wenkbrauw optilt, weet dat ander dat hij gas moet geven. Anderhalf uur 160 kilometer per uur. Wilfred wil dat het voor de kijkers spannend is. ‘Anders máák ik het spannend.'

Johan en René zijn de brombeer en de ontregelende lachebek die alles relativeert. Wilfred gooit olie op het vuur. Johan is zelfs aaibaar geworden. Vroeger kreeg hij stenen naar z'n kop, nu krijgt hij van mensen die uit Sittard komen sigaren en een verkeerde stropdas.

Gekte

Mijn collega-eindredacteur Jan Hillenius en ik werden gek van al die vragen op verjaardagfeestjes. ‘Hebben ze nou ruzie aan tafel of zetten jullie dat in scène?' ‘Is Hans Kraay werkelijk gek?' ‘Slaat Johan Boskamp echt zo hard?' Wij zeiden altijd over die gekte: je kunt er een boek over schrijven.

Wim en René krijgen veel reacties van voetballers die op niveau spelen of speelden. Die herkennen de mentale druk, het somber zijn. Maar ze willen er geen van allen in het openbaar over praten. Het voetbal zit vol taboes. Het recht van de sterkste, toon nooit je zwakheid. Je wordt gevormd naar de wetten van de kleedkamer.

Wat Wim heeft gedaan is bewonderenswaardig. Als analist begeeft hij zich immers nog in die wereld. Je moet er ballen voor hebben.”

Je kunt deze onderwerpen volgen
Archief
menu