Dieren passen zich aan aan hun omgeving. Maar de gevlekte hyena is het flexibelst van allemaal, schrijven onderzoekers in Science

Een hyena op zoek naar prooi in Kenia.

Het lijkt erop dat wilde dieren zich sneller kunnen aanpassen aan veranderingen in hun omgeving dan wetenschappers tot nu toe dachten. Dat schrijven biologen in Science.

Motten die in enkele decennia tijd van kleur veranderen en olifanten waarvan de vrouwtjes opeens geen slagtanden meer hebben. Grote evolutionaire veranderingen nemen doorgaans duizenden jaren in beslag, maar soms gaat het in een sneltreinvaart.

Voordat de industriële revolutie in Engeland goed op gang kwam, was de peper-en-zoutvlinder op het eiland licht getint. Maar nadat het roet in de lucht de bomen en gebouwen had zwartgeblakerd, doken steeds meer zwarte exemplaren op. Binnen de kortste keren was het gros van de populatie zwart. De donkere dieren hadden een fijnere schutkleur en dus betere overlevingskansen.

Olifanten zonder slagtanden

Olifanten in het Gorongosa National Park in Mozambique wisten zich ook snel aan te passen aan een verandering in hun omgeving: de toegenomen jacht door stropers. Vrouwtjes zonder ivoren trofee hebben betere overlevingskansen, en dus wordt een aanzienlijk deel van de vrouwtjesolifanten in het park nu zonder slagtanden geboren. Normaal zijn zulke dieren vrij zeldzaam. Naar schatting heeft 2 à 6 procent van de volwassen vrouwtjes in Afrika geen uit de kluiten gewassen slagtanden. In Gorongosa National Park is dat 30 procent.

In de wetenschappelijke literatuur wemelt het van zulke voorbeelden. Genetische variatie binnen een populatie leidt ertoe dat sommige individuen er net iets anders uitzien dan de rest, of ze lopen qua gedrag niet in de pas. Vaak is dat nadelig, maar laat de omgeving in hun voordeel wijzigen en buitenbeentjes nemen de overhand doordat ze plots betere overlevingskansen hebben en meer nakomelingen kunnen krijgen. En toch, ondanks de vele voorbeelden, is er nog weinig bekend over het aanpassingsvermogen van dieren op korte termijn.

Een studie die vorige week in Science verscheen, moet daar verandering in brengen. Onderzoek richtte zich tot nu toe op het aanpassingsvermogen dat diersoorten danken aan genen gelinkt aan specifieke kenmerken, zoals kleur of grootte. Maar welk aanpassingsvermogen ligt besloten in het totale DNA van diersoorten, in het geheel van hun erfelijk materiaal? Die vraag wilde een groot team wetenschappers, geleid door evolutiebioloog Timothée Bonnet van de Australian National University, beantwoorden. Het antwoord is een beetje cryptisch. De door hen gevonden ‘adaptieve evolutie’ bedraagt 18,5 procent.

De wetenschappers moesten lang rekenen. ,,Ik geloof dat we wel drie jaar zoet zijn geweest met deze berekening’’, zegt een van de auteurs, vogelonderzoeker en koolmezenexpert Marcel Visser van het Nederlands Instituut voor Ecologie.

Hun getal is geen grap. Het percentage van 18,5 moet je volgens Visser beschouwen als een soort maat voor de ‘brandstof van evolutie’. Het percentage is twee tot vier keer hoger dan wat de wetenschappers hadden verwacht. Dat is goed nieuws. Het wijst erop dat diersoorten zich wellicht sneller en makkelijker kunnen aanpassen – bijvoorbeeld aan veranderingen in hun omgeving door klimaatverandering – dan gedacht.

2,6 miljoen uur aan veldstudies

De onderzoekers gingen niet over een nacht ijs. Ze bestudeerden data die de afgelopen decennia zijn vergaard tijdens 2,6 miljoen uur aan veldstudies, opgetekend in negentien wetenschappelijke publicaties. Die studies richtten zich op vijftien soorten zoogdieren en vogels, waaronder koolmeesjes in Nederland, gevlekte hyena’s in Tanzania en edelherten in Schotland. Sommige van die studies lopen al sinds de jaren 1950.

De meeste ‘brandstof’ vonden de onderzoekers bij de gevlekte hyena’s. Biologen van het Leibniz-Institut für Zoo- und Wildtierforschung bestuderen de dieren al bijna dertig jaar.

,,Gevlekte hyena’s kunnen in allerlei habitats leven en zijn de meest verspreide grote carnivoren in Afrika’’, vertelt Oliver Höner van het Leibniz-IZW. ,,Dat suggereert dat ze zich goed kunnen aanpassen aan nieuwe omgevingen, maar we hadden niet verwacht dat ze de hoogste adaptieve evolutiescore van alle onderzochte soorten zouden hebben.’’

Om zo’n omvattende studie als die in Science op te tuigen heb je enorm veel data nodig, vertelt Visser. De Duitsers hebben het DNA geanalyseerd en de stambomen in kaart gebracht van meer dan tweeduizend hyena’s, verdeeld over acht generaties. ,,Je moet van elk individu de stamboom hebben. Je moet weten welk dier nakomelingen heeft gekregen en hoeveel. Er zijn maar weinig studies nauwgezet genoeg.’’ De negentien studies naar vijftien diersoorten die het team onder de loep nam, bevatten alles bij elkaar gegevens van 250.000 dieren.

Nieuws

Meest gelezen

menu