'Mij persoonlijk zijn staatslieden die wel eens een glaasje blieven sympathieker dan beginselvaste geheelonthouders, met als bloedstollendst voorbeeld Adolf Hitler' | Column Jean Pierre Rawie

Jean Pierre Rawie. Foto: Marcel Jurian de Jong

Volgens De Jonge Vrouw Die Er Ook Wel Eens Naast Zit zou ik onderstaande bespiegeling pas het licht moeten laten zien wanneer we een nieuw kabinet hebben, maar het begint erop te lijken dat niet één van de nu levenden dat nog zal meemaken, dus ik negeer haar wijze raad, en deel een paar gedachtes met u.

Ergens gedurende de formatie verweten enkele D66’ers Johan Remkes dat hij af en toe een borrel te veel ophad. Nu heb ík Remkes nooit aangeschoten gezien, maar hij spuugt er niet in, wat zich ook slecht zou verdragen met zijn jarenlange ambassadeursfunctie bij het Genevergenootschap.

Vroeger werden politiek en drankgebruik geenszins als onverenigbaar gezien. Ik hoef slechts te herinneren aan Winston Churchill, die de gehele dag door champagne en whisky slobberde, maar niettemin een onvoorstelbare werkkracht tentoonspreidde, én stokoud geworden is.

Dat gold niet voor onze Vader des Vaderlands, die in 1584 na het middagmaal werd doodgeschoten bij het verlaten van de eetzaal. Omvallend zou hij nog in een Franse volzin ’s Heren mededogen over zijn ziel en dit arme volk hebben afgesmeekt. Aangaande deze ‘laatste woorden van de Zwijger’ is veel te doen geweest; zo speculeerden medici dat hij er gezien zijn verwondingen niet meer toe in staat was, maar de treffendste opmerking stamt van kardinaal Granvelle, die zei dat Willem na de lunch altijd zo straalbezopen was dat hij geen woord meer kon uitbrengen.

Nu was het nuttigen van 16de-eeuws water niet zonder gevaar, maar bijwijlen overdreef men dat in onze ogen. Er waren Duitse rijksvorsten die in kennelijke staat knielden voor Karel V, en vervolgens niet meer overeind konden komen. Daar keek niemand van op.

De geboorte van het kabinet-Den Uyl (in die dagen hoorde je vaak: het éérste kabinet-Den Uyl) ging destijds met veel vrolijkheid gepaard. De namen van grote drinkers als Vredeling en Gruyters leven voort. De laatste (een D66’er overigens) dreef zelfs een café.

Mij persoonlijk zijn staatslieden die wel eens een glaasje blieven sympathieker dan beginselvaste geheelonthouders, met als bloedstollendst voorbeeld Adolf Hitler. Over de Russische president Boris Jeltsin werd verteld dat de enige Amerikaan die hij tijdens zijn bezoek aan de Verenigde Staten goed had leren kennen, Johnny Walker heette, wat me nogal voor hem innam. Stalin daarentegen voerde zijn omgeving dronken, terwijl hij zichzelf uit een ogenschijnlijke wodkafles telkens water bijschonk, de laffe hond.

Bont maakte het de Britse minister van buitenlandse zaken onder Harold Wilson, George Brown, die zo vaak onbekwaam in het openbaar verscheen, dat de media er het vileine eufemisme tired and emotional voor muntten.

Wel stal hij te zijnen departemente alle harten toen hij op een officiële bijeenkomst in Zuid-Amerika een verleidelijke, in een rode jurk gehulde verschijning ten dans vroeg, die hem echter afwees met de woorden: ,,Ik dans niet met u, meneer Brown, om drie redenen. In de eerste plaats denk ik dat u dronken bent. Voorts speelt het orkest geen wals, maar het Peruviaanse volkslied, waarvoor u geacht wordt in de houding te staan, en ten derde ben ik de kardinaal-aartsbisschop van Lima.”

Nieuws

Meest gelezen

menu