De 'Mei' van Herman Gorter brengt nog steeds 'een nieuwe lente en een nieuw geluid'. Maar je moet er wat voor willen doen

Begin over de lente en de kans is groot dat iemand de eerste regels van Herman Gorters Mei citeert. Maar wie leest nog alle 4381 versregels (zo’n 150 bladzijden) van dat epische gedicht over de lente? Is de klassieker uit 1889 überhaupt nog leesbaar vandaag de dag?

Herman Gorter in 1892. Foto: Willem Witsen / Geheugen van Nederland

Herman Gorter in 1892. Foto: Willem Witsen / Geheugen van Nederland

‘Een nieuwe lente en een nieuw geluid:

Ik wil dat dit lied klinkt als het gefluit,

Dat ik vaak hoorde voor een zomernacht

 In een oud stadje, langs de watergracht –‘

Die eerste vier regels van de Mei – met de metaforische verwijzing naar het Friese dorp Balk, waar Herman Gorter (1864-1927) regelmatig logeerde bij zijn grootouders – kennen de meeste mensen nog wel. Maar wat daarna volgt? De geboorte en komst van Mei, vanuit de zee, in Boek I; de zoektocht van Mei naar de blinde god Balder, in Boek II; haar zwerftochten met de dichter tot haar dood, in Boek III?

Voor mij was het meer dan dertig jaar geleden dat ik Gorters allegorie van het voorjaar (en nog veel meer) las. En dan voornamelijk omdat het moest, vermoed ik, als onderdeel van mijn studie Nederlandse Taal- en Letterkunde aan de Rijksuniversiteit Groningen. Ik herinnerde me er niks van. De ervaring van destijds zorgde in elk geval voor geen enkele aandrang tot herlezing.

Op schoot bij Sinterklaas in het Herman Gorterhuis

Terwijl ik toch een bijzondere band heb met de grote dichter. Net als hij ben ik geboren in Wormerveer, in een huis aan de Zaan, ongeveer vijfhonderd meter verderop. Lassie, de fabriek waar mijn vader werkte, vierde eind jaren zestig zijn Sinterklaasfeesten in het Herman Gorterhuis. In de woonkamer van Hermans eerste vijf levensjaren zat ik een eeuw later bij de goedheiligman op schoot.

 

Voor dit themanummer heb ik Mei, een gedicht , zoals de officiële titel luidt, opnieuw opengeslagen. Het leidde, in eerste instantie, tot een verwarrende ervaring: ik begreep niet wat ik las. Ik zag de woorden maar ze kwamen niet binnen. Het was bijna hermetische poëzie voor me. Natuurlijk, het taalgebruik is ouderwets, de zinnen zijn lang, en Gorter gaat, onder de dwang van rijm en ritme, tamelijk vrij om met de woordvolgorde. Maar waarom kreeg ik er helemaal geen vat op?

Ik las de Wikipedia-pagina’s nog maar een keer, pakte wat oude studieboeken erbij en ontdekte op de website van de Koninklijke Bibliotheek veel informatie over Gorter en zijn werk. Daar las ik, met enige instemming, recensies van 120 jaar geleden uit conservatieve hoek, waarin gesproken wordt van een gedicht dat ‘onverstaanbaar en ongenietbaar’ is, geschreven door ‘een bederver der taal, een zwakkelijk soezer, die zich verbeeldt een dichter te zijn’.

‘Waar is dàt, tóen, vandaan gekomen?’

Maar was Herman Gorter niet ook een van de Tachtigers, die grote vernieuwersbeweging binnen de Nederlandse literatuur, zoals ik tijdens mijn studie Nederlands leerde? Daarom toch maar even bellen met Mary Kemperink, mijn docent van destijds en een groot Gorter-kenner, die inmiddels met emeritaat is. ,,Verdiep je eerst in het verhaal en Gorters gebruik van metaforen”, adviseerde ze. ,,Lees de toelichting die Enno Endt en ik hebben geschreven in onze uitgave van de Mei , uit 2002.”

En beperk je eerst tot Boek I, drukte Kemperink me op het hart. ,,Vooral in het eerste boek wordt Mei beschreven als een allegorie van de lente. De beschrijving van het duinlandschap, de lammetjes in het groen, en dan verder het land in, die tocht door het voorjaarslandschap – dat is zo prachtig. In Boek II begint dat gedonder in de wolken, met al die goden.”

Natuurlijk, het helpt als je wat meer weet over de achtergronden en de context waarin zo’n werk is ontstaan. Dat je je realiseert dat Gorter radicaal brak met de conventies van zijn tijd en de grenzen van de Nederlandse taal oprekte. En hoe uniek de Mei was in zijn tijd. Zoals Gorters jongere collega-dichter (en socialistische strijdmakker) Adriaan Roland Holst in zijn in memoriam opmerkte over Mei : ‘Hoe is het mogelijk? Waar is dàt, tóen, vandaan gekomen?’

Een beeld in een beeld in een beeld

Maar wat vooral helpt is: hardop lezen. Pas toen ik, gezeten op de bank, de woorden met luide, enigszins gedragen stem door de kamer liet daveren, kwamen ze binnen.

‘Zij zag hoe heel langzaam het blauwe glas

Van ’t uitspansel besloeg met duisternis,

En van het rood alleen de heugenis

Bleef leven aan den opgeblazen zoom

Van een rood wolkje – overdag was ’t room

Geweest, nu leek het een violenbed,

Heel alleen liggend maar doortrokken met

 Een heerlijk paars licht, in verlaten gaard.’

Wel goed opletten waar de beeldspraak het overneemt van de beschrijving, want dat gebeurt voortdurend. De eerste metafoor in Mei , over het gefluit van de jongen in het stadje, ontspoort al volledig, waarbij het beeld zelf op zijn beurt verrijkt wordt met nieuwe beeldspraak. En dat gestapelde beeld bevat vervolgens ook beeldspraak, et cetera. En dan, zomaar opeens, kan het beeld in het beeld in het beeld een beschrijving zijn van wat plaatsvindt. Ja, dat is verwarrend, maar het is ook een razend knappe verwoording van de verbondenheid van alles.

Het ritme van een raptekst

Hardop lezend kom je er achter dat de Drentse dichter Egbert Hovenkamp II, die Gorters Mei vier jaar geleden voordroeg in Assen, gelijk had toen hij opmerkte: ‘Waar het precies over gaat, is eigenlijk niet belangrijk. Wat het bijzonder maakt is de ervaring van het lezen en luisteren en het opgaan in het gedicht.’

Laat je meevoeren op het ritme en de klanken, want de tekst is als een partituur die met de stem moet worden uitgevoerd. Wonderlijk genoeg komt het begrip – of beter: een helende ervaring van eenheid – dan vanzelf.

Het is wennen, al die meanderende zinnen, maar langzaam maar zeker val je voor de betovering die ervan uitgaat, ondanks de verouderde woorden, het pathos en die soms wat overspannen (nu zouden we zeggen: kitscherige) beelden. Dan ga je na Boek I toch door met Boek II en III en herken je opeens het ritme van een raptekst in de meer beschrijvende delen (wie zet er een goede beat onder?), terwijl de woorden, los, wild associërend, woelig met alle winden mee waaien.

Het kost ongeveer acht uur van je leven, de Mei hardop lezen. Maar doe het gewoon, nodig wat mensen uit (nou ja, eentje dan voorlopig), lees om de beurt een paar bladzijden, praat erover, en ervaar – voor even – de volheid van het leven.

Waar kun je Gorters ‘Mei’ (gratis) lezen?

Op de website van DBNL (de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren) staan meerdere uitgaven van Herman Gorters Mei , waaronder de eerste druk en de editie uit 2002 met een uitgebreide toelichting en annotatie door Mary Kemperink en Enno Endt. Ze zijn gratis te downloaden.

Je kunt deze onderwerpen volgen
Cultuur
menu