Column van Jean Pierre Rawie: Heerlijk avondje

Het Groningse instituut voor Slavistiek was ten tijde van mijn studie gevestigd in een herenhuis aan de Reitdiepskade, met een riant uitzicht over de Noorderhaven.

Jean Pierre Rawie.

Jean Pierre Rawie. Foto: Marcel Jurian de Jong

Dat was in het begin van de jaren 70 niets bijzonders: de universiteit bezat her en der in de stad fraaie panden; Geschiedenis werd gegeven in een voormalige dokterswoning aan de Heresingel, en Natuurkunde in ‘het kasteel’ aan de Verlengde Visserstraat.

Het hoger onderwijs was in die dagen een gemoedelijke bedoening. Ik hanteerde de term ‘studie’, maar het was meer zo dat ik er wel eens binnenwandelde, wanneer mijn hoofd ernaar stond (wat mettertijd steeds minder het geval was). Colleges waren niet verplicht, en de leergasten werden, veelal ten onrechte, geacht zelf te weten wat goed voor hen was.

Ik heb al wel eens geschreven over de zonder uitzondering buitenissige docenten, van de kabbalistisch bevlogen ex-militair die grammatica onderwees tot de spreekwoordelijk verstrooide hoogleraar, die op het Russisch uitgekeken was, en zich toelegde op Eskimotalen (onder studenten werd beweerd dat hij vloeiend Walvisch sprak).

Het hoger onderwijs was in die dagen een gemoedelijke bedoening

In deze Sinterklaastijd moest ik denken aan de native speakers , door ons aangeduid als ‘de afdeling vivisectie’, die conversatielessen in hun eigen taal moesten geven. Je had de geleerde Tsjech Pavel Opršal, als historicus gepromoveerd op een obscure Oost-Europese sekte, die volstrekt wereldvreemd was, en wiens merkwaardige grimassen een onuitputtelijke bron van vermaak voor ons waren.

Hij was in 1948 gevlucht voor de communisten, en kon dus niet meer terug naar Tsjechoslowakije, zoals het toen nog heette. Ooit hoorde ik hoe hij aan een Poolse dame, die gewoon met een Nederlander getrouwd was en dat probleem derhalve niet kende, vertelde dat hij in zijn land ‘persona non grata’ was. ,,Maar dan kunt u nooit meer naar uw vaderland!” riep zij geschokt, waarop hij somber, met een zwaar Boheems accent, ,,Nederland is mijn vaderland” antwoordde.

Ten dienste van de Russische spreekvaardigheid had men een ongeveer 50-jarige vrouw aangetrokken, die al sedert haar achttiende in Duitsland woonde, wat aan het praktijkonderricht te merken was. Als ik vanwege mijn kater de aangeboden koffie weigerde, sprak zij geestdriftig: ,, Das ist gut! Schonen Sie Ihr Serdtse ! ´dat laatste was het enige Russische woord in de zin, en betekent ‘hart’. Ze heette Olga Stolz.

Voor enkele lievelingspupillen had ze een zangclubje opgericht, dat tweemaal per week op haar kamer bijeenkwam teneinde meerstemmig liedjes als Katinka te kwinkeleren. Omdat ze erg dol was op mij, moest ik daar dikwijls bij zijn, hoewel ik absoluut geen maat kon houden, en maar wat mee bromde.

Dr. Opršal stortte zich, in het kader van zijn Nederlanderschap, met de ijver van een bekeerling op onze nationale gebruiken. Vooral het Sinterklaasfeest gold zijn toewijding, en hij betrok het gehele instituut bij de opmaat tot het Heerlijk Avondje. Hij had begrepen dat het gedicht bij de presentjes enige plagerijtjes moest bevatten.

De surprise voor zijn Russische collega ging vergezeld van een lang rijm, dat ernstig verkeerd viel; vooral het refrein: ‘Verhip! / Olga, zij zingt als zwangere kip!’ riep haar woede op. Pas weken nadien keerde de vrede terug op het instituut.

Je kunt deze onderwerpen volgen
Cultuur
menu