Mevrouw Blaak uit Odoorn wordt vandaag 100 jaar. Ze zweeg als het graf over de geheimen van het gezin waar ze in de oorlog werkte: 'Van praten komt praten'

Tinie Blaak uit Odoorn blaast vandaag, op 14 september, 100 kaarsjes uit. Ze vertelt graag over haar tijd als huishoudster, onder meer bij ‘jodenhelper’ dokter Boeke.

De 100-jarige mevrouw Blaak werkte in de huishouding bij dokter Boeke uit Valthermond, die tijdens de oorlog Joodse kinderen in huis nam.

De 100-jarige mevrouw Blaak werkte in de huishouding bij dokter Boeke uit Valthermond, die tijdens de oorlog Joodse kinderen in huis nam. Foto: Jan Anninga

Bij binnenkomst zit Tinie Blaak in een grote stoel met beide benen omhoog. Het rechterbeen is van boven tot onder ingepakt in een blauwe brace: het gevolg van een nare val in haar huis in Odoorn, waar ze tot voor kort zelfstandig woonde. Nu verblijft ze tijdelijk in woonzorgcenrum De Schoel in Sleen. Daar zal de Odoornse haar honderdste verjaardag vieren.

„Wat een leeftijd hè”, verzucht ze. „Als iemand mij vroeger had verteld dat ik zo oud zou worden...” Toch is haar hoge leeftijd ook weer niet zo verwonderlijk, zegt ze. „Mijn vader werd 95, het zit in de familie.”

In betrekking bij dokter Boeke

Mevrouw Blaak werd als jongste van zes kinderen geboren in Tweede Exloërmond. Maar het gezin had groter moeten zijn: twee broertjes, beiden Siert genoemd, overleden jong. „Dat gebeurde soms in die tijd.” Voordat ze zich vestigden in Drenthe, woonden vader en moeder Blaak enige tijd in Duitsland, waar vader in de mijnen werkte. In Tweede Exloërmond werd hij melkboer. Na de oorlog trouwde ze met politieagent Evert. Het stel kreeg drie dochters: Tineke, Hillie en Ria. In 1997 overleed Evert aan de gevolgen van leukemie.

Voordat ze trouwde, ging mevrouw Blaak ‘in betrekking’, zoals dat toen zo mooi heette. Ze werkte bij verschillende gezinnen in de huishouding en zorgde voor de kinderen. Zo ook bij dokter Boeke uit Valthermond, die meerdere Joodse onderduikers aan een schuilplaats hielp. Toen mevrouw Blaak aan haar betrekking begon, waren er al twee joodse kinderen in het gezin.

Mevrouw Blaak zweeg als het graf over het geheim van het gezin. „Van praten komt praten. In de oorlog werd er weleens te veel gekletst.”

‘Jeudje’

Maar niet iedereen was zo zwijgzaam over de onderduikers. Mevrouw Blaak herinnert zich nog levendig een voorval met een buurman die het niet zo had op Joodse mensen. „Ik liep met Otto over straat en de buurman fietste ons tegemoet. Hij riep ‘jeudje’ (Drents voor joodje, red.) naar Otto.”

Mevrouw Blaak veert plots op in haar stoel en verheft haar stem. „Dat zeg je toch niet tegen een kind! Ik heb altijd gedacht dat die man niet te vertrouwen was. Ik heb hem die opmerking nooit kunnen vergeven.”

Het werk in de huishouding eindigde toen ze trouwde – „de vrouw van een politieman mocht niet werken” – maar de liefde voor kinderen bleef. „Ik had altijd kinderen om me heen. Ook mevrouw Boeke zei dat ik met kinderen moest blijven werken, ik was er goed in. En nu heb ik zelf fijne kinderen. Ik mag mijn handjes dichtknijpen.”

Je kunt deze onderwerpen volgen
Drenthe
menu