Schrijfster Mariët Meester haalt in 'Koloniekind' herinneringen op aan justitiedorp Veenhuizen. 'Ik zal nooit vallen op een keurig nette man'

Het eerste beeld dat schrijfster Mariët Meester (63) heeft van de gevangenen in Veenhuizen is hoe ze op zondag naar de kerk lopen. Met haar handjes op de vensterbank en haar neus er nét boven ziet ze als meisje van 3 de grote groep mannen gaan. De mannen worden bewaakt door gestichtswachten die voor en achter de groep fietsen. De gevangenen dragen allemaal hetzelfde bruine pak.

Mariët Meester in de Koepelkerk

Mariët Meester in de Koepelkerk Foto: Marcel Jurian de Jong

De herinnering aan de mannen in boevenpak is de opmaat naar een levenslange fascinatie voor het bijzondere dorp waar de in Amsterdam woonachtige schrijfster opgroeit. Het dorp waarin je naar school wordt gebracht met de boevenbus. Waar honderden verbodsborden onbevoegden de toegang ontzeggen. Waar de ruige gevangenen voer zijn voor meisjesfantasieën. ,,Ik denk dat ik mijn gevoel voor mannen hier heb opgedaan”, zegt de schrijfster lachend. ,,Ik zal nooit vallen op een keurig nette man.”

Nieuws

menu