De wekker zetten voor Alain Aprahamian | column Pim Siegers

Meer dan 200 vlaggen werden gisteren het stadion van Tokio binnengebracht. Door twee sporters per land. Een soort atletische ark van Noach. Maar dan zonder zondvloed.

Pim Siegers

Pim Siegers Foto: Jan Anninga

Mijn fascinatie voor vlaggen is groot. Ooit kende ik ze allemaal. Nu ga ik bij de B van het Koninkrijk Bhutan al de mist in.

Het vlaggenvertoon en de volksliederen maken mij de komende weken tot wereldburger en patriot ineen.

Er zijn mensen die het gezwaai en gedweep met de landenkleuren en het intens meebrullen van hymnes doorgeslagen nationalistisch vinden. Mensen wiens verjaardagfeestje je prima over kan slaan.

Wie genoten heeft van het passievolle gezang van Europees kampioen voetbal Italië, moet met mij hopen op een overwinningslied voor Uruguay. Daarbij steken de Italianen af als een stel keurige koorknaapjes.

Het Orientales, la Patria o la tumba is een smeekbede om hartstochtelijk mee te brullen. En daar krijgen ze ook zelf nauwelijks genoeg van. Het is terecht het langste volkslied ter wereld.

Het probleem is dat Uruguay bijna nooit goud haalt op de Spelen. Toch een vereiste voor het spelen van het volkslied. De laatste eerste plek stamt alweer uit 1924.

De komende week zet ik daarom niet alleen de wekker voor Katja uit Klijndijk, Jorinde uit Assen, Henk uit Veendam en Ranomi uit Sauwerd, maar ook voor Alain Aprahamian uit Montevideo.

Aanstaande dinsdag om 4 uur in de vroegte begint de judoka aan zijn olympisch toernooi. Slechts 63 concurrenten staan tussen hem en een gouden medaille in.

Hopen dat hij een beetje kan zingen.

Lees ook

Je kunt deze onderwerpen volgen
Drenthe
menu