Drie voetbalgeschiedenissen, waaronder die van Willem Kel uit Meppel, vertellen een verhaal van de oorlog

Het elftal van Feyenoord in 1938, met Joop van der Heide staand tweede van rechts. Foto: ANP / Spaarnestad Photo

Historici hebben tot dusver 2.700 namen gevonden van voetballers die overleden in de Tweede Wereldoorlog. Hun verhalen geven zicht op de oorlogsjaren in Nederland.

De Tweede Wereldoorlog begon vroeg voor Rein Boomsma, oud-speler van het Nederlands elftal en Sparta. Na de inval van Duitsland in Polen, in september 1939, werd Boomsma benoemd tot commandant in Jaarsveld, waar de vesting ‘Holland’ lag. Als Duitsland acht maanden later ook Nederland binnenvalt, houdt Boomsma het er met zijn mannen niet lang uit. Ze trekken zich terug naar Rotterdam en Boomsma richt daar samen met andere militairen de Rotterdamse tak op van de Ordedienst – de verzetsorganisatie van het Nederlandse leger. In 1942 wordt hij verraden. Hij heeft dan nog een jaar te leven.

Rein Boomsma is een van de vele Nederlandse voetballers die de Tweede Wereldoorlog niet hebben overleefd. Sporthistoricus Jurryt van de Vooren en verschillende collega’s doen al jaren onderzoek naar de slachtoffers. Ze hebben tot dusver de namen gevonden van 2.700 Nederlandse voetballers die stierven in de oorlog. Onder hen waren, naast Boomsma, nog achttien (oud-)spelers van het Nederlands elftal, twee voormalig bondscoaches en twee voorzitters van de voetbalbond KNVB.

In de oorlogsjaren is sport steeds populairder geworden. In 1930 sportten 180 duizend mensen, middenin de oorlog (1943) waren dat er 429 duizend en direct ná de oorlog beoefenden meer dan 600 duizend mensen een sport, blijkt uit cijfers van het Nederlands Olympisch Comité (nu NOC-NSF). Voetbal was altijd het grootste. Sport zorgde voor afleiding en gemeenschapsgevoel – hoewel de bezetter sport óók soms gebruikte voor propagandadoeleinden.

Toch sloeg de Tweede Wereldoorlog een gat in voetballend Nederland, zoals dat gebeurde in bijna alle delen van de samenleving. Want het waren niet alleen oud-spelers van Oranje die niet terugkeerden, maar ook semiprofs, amateurs, bestuurders en barmannen. Al was er heel, heel soms een wonderbaarlijke terugkeer op de velden.

MSC-doelman Willem Kel

Op 11 mei 1940, een dag na de Duitse inval in Nederland, verschijnt het clubblad van voetbalvereniging MSC in Meppel. In de stad zijn de bruggen opgeblazen, versperringen opgericht, lopen Duitse soldaten rond. Overal ligt glas en rommel. „Een ieder heeft er onder ademlooze spanning kennis van genomen”, schrijft de voorzitter.

Op het moment dat het clubblad verschijnt is MSC-doelman Willem Kel aan het vechten tegen de Duitsers die zijn stad innemen. Een kansloze strijd. Hij wordt krijgsgevangen gemaakt, en daarna weer vrijgelaten. Daar had het voor Willem Kel bij kunnen blijven. Hij is niet Joods, zoals veel andere leden van MSC. Van de bezetter heeft hij op dat moment weinig te vrezen. Toch zal hij nog maar twee jaar in relatieve rust leven.

Het is 21 maart 1942 als Rein Boomsma, de voormalig Oranje-international, wordt overgebracht naar het ‘Oranjehotel’ in Scheveningen. In deze Scheveningse gevangenis zetten de Duitsers veel mensen vast vanwege verzet of ongehoorzaamheid. Ruim 250 gevangenen zullen tijdens de oorlog ter dood worden veroordeeld en gefusilleerd op de Waalsdorpervlakte. Velen bleven een tijdje in Scheveningen, om daarna op de trein te worden gezet naar concentratiekampen in Duitsland.

Terwijl Boomsma in het Oranjehotel wacht op wat komen gaat, verhuist de verloofde van MSC-doelman Willem Kel – het Joodse meisje Carla de Leeuw – in de zomer van 1942 van Meppel naar Amsterdam. Ze kan werk krijgen in de hoofdstad. Kel gaat die zomerweken vaak op bezoek. Hij spelt dan regelmatig een gele Jodenster op zijn jas, al is hij zelf niet Joods. Ze zijn gelukkig samen. Na aanvankelijke bezwaren heeft de familie van Carla de Leeuw ingestemd met hun huwelijk. Ze willen zo snel mogelijk trouwen.

‘Als ze haar uit Westerbork halen, ga ik mee’

Nog geen twee maanden na haar vertrek naar Amsterdam, op 4 augustus, geeft Carla de Leeuw gehoor aan een oproep voor ‘tewerkstelling’ in Duitsland. Ze stapt op de trein naar Westerbork. Verschillende ooggetuigen horen Willem Kel in die periode zeggen dat hij haar „niet in de steek” zal laten. „Als ze haar uit Westerbork halen, ga ik mee. Het kan me niet schelen waarheen.”

Vlak nadat zijn verloofde in Westerbork aankomt, fietst Kel van Meppel naar het kamp. Hij komt in contact met een bekende van Carla de Leeuw en ontdekt dat zij een dag later afgevoerd zal worden. Op 7 augustus mengt Kel zich tussen de gevangenen die zich verzamelen bij de trein richting Auschwitz. Met 989 anderen belandt hij in de trein – als een van de weinige niet-Joden die zich vrijwillig laat meevoeren.

Diezelfde week nog wordt een briefje bij zijn familie in Meppel bezorgd. „Willem mee”, staat erop. Hij heeft het bij Sappemeer uit het voertuig gegooid. Lange tijd zal Willem Kel spoorloos zijn. Op de ledenlijsten van MSC in de jaren 1943-1944 en 1944-1945 staat vermeld dat hij „in het buitenland” verblijft.

Na driekwart jaar in het ‘Oranjehotel’ wordt Rein Boomsma, via Amersfoort, overgeplaatst naar Utrecht. Daarna komt hij terecht in Neuengamme, het concentratiekamp in de buurt van Hamburg, in Noord-Duitsland. Sparta-archivaris Rene Schouten vond zijn kampkaart. Boomsma’s nummer: 21346.

Wat er in het kamp precies gebeurde met de voormalig rechtsbuiten van het Nederlands elftal is niet bekend. Op 27 mei 1943, om 06.30 uur, wordt zijn naam bijgeschreven in het dodenboek van Neuengamme. ‘Cardiale Insuffizienz’ – hartfalen – wordt opgegeven als officiële doodsoorzaak. Schouten: „Hij heeft zich moeten doodwerken.”

De bevrijder van Rotterdam

Het lot van Willem Kel en Rein Boomsma was in Nederland nog niet bekend, toen de oorlog voor Feyenoord-speler Joop van der Heide nog moest beginnen. Op de rand van de oorlog, 21 april 1940, had hij zijn debuut gemaakt voor het Nederlands elftal. Hij verdiende de kost, zo goed en kwaad als het ging, als schilder. Tot de Razzia van Rotterdam, de grootste razzia van de Duitse bezetter tijdens de Tweede Wereldoorlog in Nederland.

Op 10 en 11 november 1944 zijn tussen de 52 duizend en zeventigduizend mannen uit Rotterdam en omliggende gemeenten opgepakt en weggevoerd. Ze werden tewerkgesteld in Duitsland, al vermoeden historici dat de Duitsers vooral wilden voorkomen dat de jonge mannen (tussen de 17 en 40 jaar) verzet zouden plegen met de geallieerden in aantocht. Feyenoorder Joop van der Heide was een van die mannen.

Het bleef daarna maanden stil. Maar toen Rotterdam werd bevrijd op 8 mei 1945, viel een verslaggever van Het Vrije Volk ineens iets op. In een knipsel van die dag, toegestuurd door een familielid van Joop van der Heide, komt zijn naam voor. „Onder de Canadezen, die tot de politietroepen behoorden, zagen we plotseling een bekend gezicht. Een dubbelganger van Joop v.d. Heide, den bekenden Feijenoord-linksback? Neen, het was inderdaad v.d. Heide!”

Diezelfde dag is Van der Heide ook op de radio te horen. In een fragment, later gevonden door zijn familieleden en historicus Jurryt van de Vooren, vertelt hij wat hem is overkomen. Na zijn tewerkstelling is hij ontsnapt en vanuit Duitsland teruggelopen naar Nederland. Daar sloot hij zich, in het oosten van het land, aan bij de Canadese troepen. Die konden nog wel een schilder gebruiken.

Met de Canadezen rukte Van der Heide op naar Rotterdam. Daar was hij bij de eerste wagens die de Coolsingel opreden en de stad bevrijdden.

De familie van Joop van der Heide koestert het audio-fragment, al zien ze zijn oorlogsverhaal vooral als de geschiedenis van een hele normale Rotterdamse jongen. Een achterneef van Joop van der Heide vertelt over andere familieleden die ook in Duitsland te werk zijn gesteld en over zijn opa die in Nederlands-Indië heeft gevochten. Die gebeurtenissen hebben eigenlijk meer invloed gehad op de familie.

Joop van der Heide sloot zijn radio-bijdrage op Bevrijdingsdag af met de woorden: „Ik hoop gauw weer voor Feyenoord een goede wedstrijd te spelen.” Die belofte kwam hij na. Vlak na de oorlog al, op 30 juni, kwam hij uit voor het Bondselftal, het officieuze nationale team. Ze speelden een wedstrijd tegen een Engels elftal, met 52.000 toeschouwers op de tribune. De Nederlanders verloren met 0-3. Veel spelers hadden nog last van ondervoeding.

Het overlijden van die andere Oranje-international, Rein Boomsma, is pas na de oorlog bekend geworden. Een medegevangene die het overleefde wist van zijn dood. Ook het dodenboek van Neuengamme waarin zijn naam staat werd gevonden. Het is een van de weinige documenten uit het Duitse concentratiekamp die niet zijn vernietigd. Bij zijn oude club Sparta wordt gewerkt aan een boek over slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog. Meer dan driehonderd Spartanen overleden - velen zaten in het verzet. Archivaris Rene Schouten: „Bij het bombardement van Rotterdam hebben een hoop Spartanen veel verloren. Daardoor gingen zij vaak in het verzet, wat natuurlijk gevaarlijk was.”

De oorlog, zegt Schouten, heeft van Sparta een sociale club gemaakt. Destijds had de club een noodhospitaal, voedselvoorziening, een weeshuis en sterke banden met het Rode Kruis. Schouten: „Nog altijd helpen we arme mensen in de wijk en is onze sociale achtergrond belangrijk. Om dat te begrijpen en waarderen is het belangrijk om de oorlogsverhalen, zoals dat van Rein, te kennen.”

Eindelijk zekerheid over lot Willem Kel

Bij de Meppeler voetbalvereniging MSC wordt het overlijden van Willem Kel vermoedelijk pas heel laat bekend. In december 1953 komt zijn naam terug in clubblad de MSC’er. „Over het lot van ons oud-lid Willem Kel schijnt eindelijk ook zekerheid te bestaan. In de Nederlandse Staatscourant van 29 October j.l. komt zijn naam voor op de lijst van slachtoffers van de concentratiekampen […] Willem heeft dat einde eigenlijk vrijwillig gekozen, door zijn joodse verloofde te willen vergezellen op haar weg naar het onbekende in de ghetto’s van Oost-Europa.”

De geschiedenis is bij MSC twaalf jaar geleden weer opnieuw bekend geraakt. De club bestond toen honderd jaar en er werd een jubileumboek gemaakt, met veel aandacht voor de Tweede Wereldoorlog. „Veel van onze leden hebben de oorlog niet overleefd”, vertelt voorzitter Arjan Jonkers.

Jonkers vindt het belangrijk om de verhalen van de gestorven leden te blijven vertellen: „Ook de jongeren moeten begrijpen dat ons 112-jarig bestaan niet alleen hoogtepunten kent.”

(c) NRC Media

Nieuws

menu