Drinken op straten en pleinen. Waren Nederlanders eerst nog zuinig, nu smijten we met geld op het terras

De terrassen zijn weer geopend. Nederland snakt naar een biertje, glas wijn of cocktail aan de buitentafels die het symbool van de nieuwe vrijheid vormen. Een terugblik hoe we van zuinige calvinisten tot hedonistische terraszitters zijn geworden.

Beeld van afgelopen woensdag: het eerste drankje wordt geserveerd op het overvolle terras van de Drie Gezusters in Groningen.

Beeld van afgelopen woensdag: het eerste drankje wordt geserveerd op het overvolle terras van de Drie Gezusters in Groningen. Foto: Jan Willem van Vliet

De carrière aan de bedienende kant op het terras heeft slechts enkele minuten geduurd. Het eerste dienblad dat ik op de Grote Markt in Groningen serveerde gleed uit de handen na een struikeling over een onhandig geplaatste rugzak. Acht bier, een witte wijn en twee rode – rosé was in de jaren 80 nauwelijks in zwang – kolkten over twee dames die genoeglijk zaten te praten. De terrasmanager kwam aangesneld met handdoeken en een dwingende handbeweging. „Wegwezen.”

De terrassen op de Grote Markt zijn in de tussentijd uitgedijd tot een enorme vrijetijdsindustrie, net als die langs de Nieuwestad in Leeuwarden of op de Markt van Assen. Met gestroomlijnde looproutes voor het bedienend personeel, gecomputeriseerde bestellingsverwerking en een keur aan hippe drankjes. Een terrasje pakken is wezenlijk onderdeel geworden van onze consumptieve vrijetijdsbesteding, waarbij we het woord terrasje met de spreekwoordelijke korrel zout moeten nemen: honderd stoelen of meer zijn geen uitzondering.

Tot corona toesloeg en we eerst anderhalve meter afstand moesten bewaren en vervolgens de hele horeca inclusief terrassen de deuren moesten sluiten. Nog een geluk dat het vooral het winterseizoen betrof. Terrassen in wintertijd vond je toch alleen maar bij skihutten en andere cafés met van die straalkachels waarmee ze vrolijk de buitenlucht verwarmen.

Een derde van de ruim 50.000 horecabedrijven in Nederland heeft een terras(je)

Van de ruim 50.000 horecabedrijven in ons land hadden er volgens onderzoeksbureau Datlinq voor de coronacrisis meer dan een derde een terras. Hetzij een overdekt prieeltje waar exquise gerechtjes werden geserveerd, hetzij een bier- en wijnplein. Daarvan staat procentueel het hoogste aantal in Noord-Holland (met Amsterdam uiteraard als absolute koploper) en Noord-Brabant.

In het Noorden is het allemaal wat kariger. Dat verklaart wellicht ook de positie van de drie noordelijke provincies in de laatste terrassentest van het vakblad Misset Horeca uit 2019. Daarin stonden in de Top 100 slechts 3 terrassen in Noord-Nederland, keurig verdeeld over de provincies: Nes Café op Ameland (15), Alida’s Smulpaleis in Roden (50) en De Pintelier in Groningen (52). Niettemin is ook in onze streken de terrasexpansie de laatste jaren flink versneld.

Dat Nederland een terrassenland is geworden – sterker: vermoedelijk hét terrassenland van Europa – mag best wel uitzonderlijk worden genoemd; het weer is hier notoir onberekenbaar. Bovendien hadden we een traditie van calvinistische terughoudendheid in onze openbare consumptie. En eigenlijk ook onze consumptie als geheel: een koffie, een biertje, een portie bitterballen, dat werk. Veel gekker moest het niet worden.

Het terras als spiegel van onze hedonistische ziel: er wordt gesmeten met geld

Daar zijn we behoorlijk van teruggekomen. We waren internationaal al een bezienswaardigheid omdat wij passanten een ruime blik in onze huiskamer gunnen met open gordijnen en doorzonwoningen, tegenwoordig geven we ons ook buiten bloot: de terrassen lijken een spiegel van onze exhibitionistische ziel. Er wordt behoorlijk gesmeten met geld voor luxe drankjes of voor nog meer van die gewone. We zijn terraszitters geworden, het terras is onze vorm van vrijheid. Desnoods met regenschermen en straalkachels. Ook handig voor de toeristen.

Dan te bedenken dat vijftig jaar geleden terrassen vooral een hindernis waren voor de moderne binnenstad, waar glimmende auto’s door de straten gierden, walmende bussen hun rook tegen de straatmuren aanbliezen en het trottoir vooral parkeerplek was voor blik in plaats van terrasstoelen. Terrassen kenden we vooral van het buitenland, van Parijse cafés of Spaanse restaurants waar de zon en het savoir vivre onderdeel van het dagelijks leven zijn.

Het buitenterras voor een drankje of een hapje was overigens al bij Grieken en Romeinen bekend. Meestal in de vorm van een dakterras, met enige beschutting van doeken tegen een te felle zon. Uiteraard waren dat geen openbare terrassen, maar plekken waar je je met gasten kon verpozen.

Eten serveren mochten de Duitse brouwers niet. Nog altijd breng je gerust je eigen broodje mee naar de Biergarten

De eerste publieke terrassen zullen vermoedelijk zijn ontstaan in Duitsland, bij de vermaarde Biergartens , tuinen met eenvoudige tafels en bankjes waar bezoekers het bier dronken dat rechtstreeks uit de bierkelder kwam. Uit officiële documenten blijkt dat in 1812 brouwers in het Beierse Isarkreis toestemming van koning Maximilian I kregen om bier te serveren in de ‘tuin’ voor de kelders waar het bier lag te rijpen. Eten serveren mochten de brouwers niet, vandaar dat er nog steeds de traditie bestaat dat je je eigen broodje naar een Biergarten mag meebrengen. Tegenwoordig worden biertuinen vooral geassocieerd met de Oktoberfeste in Beieren, met verschrikkelijk grote pullen en bratwursten . En met dronkenschap.

Dan ging dat er in Frankrijk toch eleganter aan toe, met een glas wijn op een 19de-eeuws terras aan een van de avenues van Parijs. De krochten van het middeleeuwse Parijs waren met de sloophamer van stedenbouwkundige Georges-Eugène Haussmann in de tweede helft van die eeuw omgetoverd tot brede boulevards. Vóór de cafés verschenen terrasjes waarlangs de Parijzenaars uit de belle époque naar hartenlust konden flaneren.

Minder elegant, maar niet minder sfeervol, waren de terrassen in de Zuid-Franse zonnestadjes. In het schilderij Terrasse du café le soir, Place du forum, Arles (Caféterras bij nacht, 1888) vereeuwigde Vincent van Gogh het klassieke beeld van ijzeren ronde terrastafeltjes en -stoelen, het meubilair dat we nog steeds associëren met Franse terrassen. De kunstenaars uit Van Goghs kring dronken er vooral absint, ‘de groene fee’ die later verboden werd.

Met de Haagse heren waren ook de beren los: het terras begon vanaf eind 19de eeuw in Nederland aan een gestage opmars

In Nederland was het terrasleven in de 19de eeuw vrijwel onbekend. Volgens cultuurhistoricus Jan Hein Furnée, in zijn boek Plaatsen van beschaafd vertier. Standsbesef en stedelijke cultuur in Den Haag, 1850-1890 (2012), vormden een paar tafeltjes en stoelen buiten sociëteit de Witte op het Haagse Plein in 1863 het eerste terras in ons land. Die werden neergezet om de leden – heren van goede stand – in staat te stellen hun drankje buiten te drinken. Dat ging niet zonder slag of stoot: de stadsbestuurders vreesden dat zo’n terras losbolligheid in de hand werkte. Want drinken op straat was meestal geen teken van beschaving.

Met de Haagse heren waren ook de beren los: in de steden begon het terras aan een gestage opmars, om vanaf de jaren 70-80 van de vorige eeuw overal in een stroomversnelling te geraken. Een trend die werd bespoedigd doordat steeds meer pleinen in binnensteden autovrij of autoluw werden gemaakt. Het terras werd het speelterrein van de hedonistische mens, in deze tijd van pandemie lijkt het zelfs een grondrecht geworden.

Ook wij zijn blij om weer lekker buiten in het zonnetje op een terras rustig een glas wijn of biertje te kunnen drinken en te kijken naar passanten. Alleen is het wel te hopen dat de bediening na een half jaar gedwongen rust niet al te roestig is geworden. Voor je het weet struikelt zo’n jonge student over onze laptoptas.

Je kunt deze onderwerpen volgen
Extra
Eten & drinken
menu