Is de appel wel groot genoeg voor de dorst?

illustratie Vijselaar & Sixma

Wie straks met pensioen gaat, wil dan wel voldoende geld te besteden hebben. Wie nu al de rekensom maakt, kan een pensioengat voorkomen.

Van een pensioengat is sprake als AOW-uitkering, werknemerspensioen en eventueel vermogen niet voldoende zijn om de lasten na pensioenering te dragen. Of je zo’n gat hebt, en hoe groot dat gat dan is, hangt af van uiteenlopende factoren.

Hoe dan ook, voor iedereen geldt: hoe eerder je weet dat je een pensioengat hebt, hoe beter. Met dit stappenplan kun je eenvoudig nagaan of je genoeg overhoudt voor je oude dag. En hoe je een eventueel tekort kunt aanvullen.

1: Wat is de waarde van mijn AOW en pensioen?

Iedereen die in Nederland woont of heeft gewoond en de AOW-leeftijd heeft bereikt, heeft recht op AOW. Hoeveel, is afhankelijk van je woonsituatie. Alleenstaanden ontvangen per 1 januari 2017 1153,35 euro bruto per maand. Met heffingskorting komt dit netto neer op 1091,07 euro.

Personen met een partner (getrouwd of samenwonend) krijgen minder: netto 751,69 euro per persoon per maand. Deze bedragen zijn exclusief vakantiegeld, 71,61 euro voor alleenstaanden en 51,15 euro bruto per maand voor de anderen. Het vakantiegeld wordt in mei uitbetaald.

Altijd in loondienst gewerkt? Dan heb je waarschijnlijk via je werkgever aanvullend pensioen opgebouwd. De hoogte daarvan is gebaseerd op je salaris en het aantal dienstjaren.

Wie wil weten hoeveel pensioen hij heeft opgebouwd, kan dat zien op Mijnpensioenoverzicht.nl. Een persoonlijk account (inloggen met DigiD) toont een overzicht van alle pensioenfondsen waaraan wordt deelgenomen. Verder is er te zien zien op welk bedrag je recht hebt wanneer je stopt met werken.

Let wel, dit zijn brutobedragen, er moet dus nog belasting van af. Is je pensioenoverzicht niet compleet, neem dan contact op met het ontbrekende fonds.

2: Wanneer heb ik recht op AOW en pensioen?

Dat is afhankelijk van je geboortedatum. De AOW-leeftijd gaat tot 2021 geleidelijk omhoog naar 67 jaar en wordt daarna gekoppeld aan de gemiddelde levensverwachting.

Geboren na 1954? Dan ligt je AOW-leeftijd bijna altijd hoger dan 67 jaar. Sterker nog: wie nu 30 is, kan waarschijnlijk pas rond zijn 71ste met pensioen. Op de website Wijzeringeldzaken.nl kun je eenvoudig jouw AOW-leeftijd berekenen, gebaseerd op de huidige wetgeving.

Je werknemerspensioen heeft mogelijk een andere ingangsdatum dan je AOW-uitkering. Dat kun je navragen bij je pensioenfonds.

3: Hoe groot is mijn vermogen?

Schat hoeveel geld er op je spaarrekening staat als je met pensioen gaat en wat de waarde is van eventuele beleggingen. Wie een eigen huis bezit en overweegt bij pensionering te verhuizen naar een huurwoning, moet de verkoopwaarde van het huis ook meerekenen. De optelsom geeft een indicatie van je vermogen bij je pensionering.

4: Hoeveel geld heb ik straks nodig?

Een goede indicatie is het bedrag dat je nu maandelijks uitgeeft. Let daarbij op je woonlasten. Heb je een hypotheek die is afgelost voor je stopt met werken? Dan zakken je uitgaven en kun je wellicht met minder inkomen toe. Verder is het van belang je wensen na pensionering op een rijtje te zetten. Wil je bijvoorbeeld vaak met vakantie? Dan dienen ook die kosten te worden begroot. Ook kan het geen kwaad rekening te houden met stijgende zorgkosten.

Daarnaast is het de vraag over hoeveel jaren je jouw pensioen en spaargeld moet uitsmeren. We worden namelijk steeds ouder. Volgens cijfers van het Centraal Bureau van de Statistiek leven 65-jarige mannen en vrouwen in Nederland gemiddeld nog twintig jaar. De levensverwachting ligt daarmee ruim vijf jaar hoger dan in 1956, het jaar waarin de Algemene Ouderdomswet (AOW) van kracht werd. De verwachting is dat de levensverwachting de komende jaren nog verder groeit.

5: Heb ik een pensioengat?

Tel je AOW-uitkering, pensioen(en) en vermogen bij elkaar op. Vergeet ook je inkomen uit lijfrentes of andere verzekeringsproducten niet. Zet dit bedrag af tegen het door jou gewenste uitgavenpatroon vanaf je pensioenleeftijd. Liggen je lasten hoger dan je inkomsten, dan is sprake van een pensioengat.

Reken het met de Pensioenschijf-van-vijf van Wijzeringeldzaken.nl allemaal nog eens rustig na. Deze rekenhulp geeft op basis van je wensen, omstandigheden en inkomsten een globaal overzicht van je persoonlijke pensioensituatie.

6: Hoe kan ik mijn pensioen aanvullen?

Zit je met een pensioengat, dan valt daar vaak nog genoeg aan te doen. De mogelijkheden op een rijtje.

- Sparen. Eenvoudig geld opzijzetten voor je pensioen doe je met een spaarrekening. Dat maakt je pensioensituatie overzichtelijk en je hebt altijd toegang tot je geld (met uitzondering van een depositorekening). Het nadeel is wel de huidige lage rente. Daardoor is het rendement op je spaargeld nu minimaal. Ook betaal je boven de 25.000 euro vermogensbelasting (drempel van 2017). Voor fiscale partners ligt dat op 50.000 euro.

Die vermogensbelasting bedraagt tot en met 2016 1,2 procent. Voor 2017 hanteert de Belastingdienst drie verschillende tarieven. Effectief komt dat neer op circa 0,85 procent voor spaarbedragen tot en met 75.000 euro, tot circa 1,61 procent voor spaarbedragen boven de 975.000 euro. Kleine spaarders gaan er daardoor op vooruit, terwijl mensen met een groot vermogen meer gaan betalen.

- Banksparen. Lucratiever kan het zijn je spaargeld op een bankspaarrekening te stallen. Daarmee ben je niet alleen gevrijwaard van de vermogensbelasting, maar geniet je vaak ook hogere rentes dan op een normale spaarrekening. Bovendien is de premie-inleg fiscaal aftrekbaar. Wel ben je gebonden aan de jaarruimte: het bedrag dat je jaarlijks op deze manier mag inleggen. Op de website van de Belastingdienst kun je uitrekenen wat jouw jaarruimte is. Als je geen ruimte hebt, vervallen de belastingvoordelen.

Let wel: bij banksparen leg je geld in op een geblokkeerde spaarrekening. Het moment van uitkeren hangt doorgaans samen met je AOW-leeftijd. Het is daarom raadzaam alleen geld te storten dat je echt kunt missen, je kan er immers voor langere tijd niet meer bij.

- Lijfrente. Met een lijfrenteverzekering, of lijfrentepolis, spaar je in termijnen een bedrag bij een bank of een verzekeraar. Je geniet dezelfde fiscale voordelen als bij banksparen. Toch zijn er belangrijke verschillen tussen beide spaarvormen.

Een lijfrentepolis stopt op het moment dat je overlijdt. Je erfgenamen ontvangen in dat geval niets, tenzij je een overlijdensrisicoverzekering hebt afgesloten. Bij banksparen kunnen je erfgenamen wel beschikken over het gespaarde bedrag. Bij banksparen valt het opgebouwde vermogen bovendien onder het depositogarantiestelsel, waarmee je spaartegoed bij een bankfaillissement tot honderdduizend euro is gegarandeerd. Daarnaast zijn de kosten lager dan van een lijfrentepolis .

Heeft een lijfrenteverzekering dan alleen nadelen ten opzichte van banksparen? Nee. Zo kan een lijfrentepolis, anders dan banksparen, wel levenslang uitkeren. Dat kan gunstig zijn als je honderd wordt. Bij banksparen wordt de looptijd van de uitkering vooraf afgesproken (minimaal vijf tot doorgaans maximaal twintig jaar). Leef je dus langer, dan ontvang je niets meer.

Laat je in elk geval goed informeren voordat je een spaarproduct afsluit, bij voorkeur door een onafhankelijk financieel adviseur.

- Beleggen. Je geld beleggen op de beurs behoort ook tot de mogelijkheden. Dat levert gewoonlijk meer rendement op dan sparen, maar is ook risicovoller. Beleggen wordt daarom vaak alleen aangeraden als je pensionering nog even op zich laat wachten. Zo heb je meer tijd om eventuele verliezen goed te maken voordat je echt stopt met werken. Ook over je beleggingen betaal je vermogensbelasting.

- Werken. Waarschijnlijk de minst populaire optie. Toch kan het lonen. Zo levert elk jaar dat je langer werkt zo’n 8 procent meer pensioen op, je leven lang. Dus wie drie jaar later stopt met werken, ontvangt bijna een kwart meer.

Werken naast je pensioen kan ook. Dat heeft geen gevolgen voor je andere inkomsten. Bovendien val je als gepensioneerde in een lager belastingtarief. Hierdoor betaal je minder inkomstenbelasting over het verdiende geld. Ook hoef je geen pensioenpremie meer af te dragen.

De vraag blijft nog wel over hoeveel jaren je pensioen en spaargeld moet uitsmeren

Nieuws

Meest gelezen

menu