Van de Oostwolderpolder naar de Noordoostpolder voor een regionaal kaasplankje met zoet en levenswater | Jacques Hermus om de Noord

Deze zomer rijden we door Noord-Nederland op zoek naar de lekkerste ingrediënten voor een mooi gerecht. Vandaag gaat het diagonaal: van de Oostwolderpolder naar de Noordoostpolder voor een regionaal kaasplankje met zoet en levenswater.

Yvonne Drewel is eigenaresse van De Likkepot, een thuismakerij van jams en chutney.

Yvonne Drewel is eigenaresse van De Likkepot, een thuismakerij van jams en chutney. Foto: Duncan Wijting

In de tuin staat een Lunterse pippeling en een zoete kroon. De Winschoter glorie is een vroege, maar de smaak is niet zo bijzonder. Het zijn appels, hoogstambomen, die aan de voorzijde staan van de boerderij aan Polderdwarsweg in Nieuwolda.

Het is slechts een klein deel van de fruitigheden in de schitterende tuin die het huis van Yvonne en Jan Drewel omzoomt. Aan de struiken groeien allerlei soorten bessen, frambozen en bramen; de pruimen komen in blauw, geel en rood, we zien kweeperen, mispels en de aronia. En natuurlijk de vlier, de boerderijstruik die eerst geurend bloesemde, maar nu langzaam zijn smakelijke bessen gaat vormen.

Smakelijk, daarover gaat het in deze tuin. Yvonne Drewel maakt van al die vruchten – en van nog wat meer – de heerlijkste jams en chutneys. Onder de naam Likkepot kun je de potjes en de maakster tegenkomen op braderieën en fairs in het Noorden – althans in buiten-pandemische tijden. Voor degene die langs de boerderij rijdt staat er een kast met potten, maar sinds kort heeft Drewel, samen met enkele andere kleine producenten een eigen winkel geopend in de Waterstraat in Delfzijl. Ook in delicatessenwinkels in de stad Groningen is Likkepot te vinden.

Het begon als hobby maar al gauw werd Yvonnes fruitoogst zo groot dat ze haar jamoverschot ging verkopen: Likkepot

En dan te bedenken dat het begon als een kleine hobby. Op de boerderij die het gezin sinds 1985 bewoont. „Niet als boer, we kochten alleen het pand en het erf.” De schuur doet ’s winters dienst als caravanstalling, in de zomer worden er de vruchten in kisten opgeslagen. Tussen die kisten begon het. „Je hebt een grote tuin, plant wat fruitstruiken en fruitbomen en slaat aan het jam maken. Eerst een paar potjes, maar na een aantal jaren heb je zo’n grote oogst dat je al die jam niet zelf meer op krijgt.”

Aanvankelijk verkocht ze haar overschot vanuit een kraampje langs de weg – dat er nog steeds staat – later stond ze voor de lol een keertje op de Herdersfair in Balloo. „Dat ging wel goed”, zegt de fruitverwerkster nuchter, „dus heb ik het jaar erna zelf een kraam gehuurd.” Met als gevolg dat ze nu zo’n vijftig soorten jam en chutney verkoopt. Of beter: verkopen , want ze blijkt geen enkelvoud maar meervoud. „Ik maak de recepten en kook de jam, Jan plukt het fruit, mijn dochter doet de jamboekhouding, een andere de website”. Het leidt tot een enorme stapelplaats van potten en potjes. Wij nemen er een paar mee als zoete toets voor bij ons regionale kaasplankje.

Voor de lekkerste kazen van het Noorden maken we tussenstops in Tjuchem, Zevenhuizen, Tijnje en Wolvega

Voor die kazen schakelen we de auto in een hobbelversnelling, want op weg naar het einddoel maken we diverse tussenstops. De eerste halte is Tjuchem, waar we een biologische oude kaas van de familie Agterberg inslaan. Vervolgens kloppen we nog even aan bij Hanneke Kuppens voor de zachte geitenkaas Machedoux, die – eveneens biologisch – op boerderij De Oude Streek in Zevenhuizen al sinds jaren door het hele land en ver daarbuiten wordt geprezen en geloofd.

Internationale lof oogst ook de Tynjetaler, die als een ongelukje ontstond op de kaasboerderij De Gelder in Tijnje. Door een ‘foutje’ in het proces kwam er een kaas met gaten van de rijpingsplanken. Maar de zoetige, tikje pikante en vooral notige smaak bleek een succes. Mag dus op onze plank. Tenslotte, om wat pit te geven, leggen we er een blauwe kaas bij. Dat wordt de Bleu de Wolvega, die als Friese kaas wordt verkocht maar in Brabant wordt gemaakt. Het schijnt dat ze hem in Wolvega laten afrijpen.

Bij een kaasplank serveert de liefhebber gemeenlijk een port of een andere versterkte zoete wijn. Maar wij gaan voor iets verrassends: levenswater!

Het Genootschap van Warme Stokers verrijkt het Nederlandse drankenaanbod met levenswater en uit de Noordoostpolder komen enkele van de lekkerste

Enkele weken geleden werd tijdens een markt van de Slow Food-beweging het Genootschap der Warme Stokers opgericht. Nu stoken meer stokers warm, zou je zeggen, anders wordt er niet gestookt. Maar wat ze stoken is tamelijk bijzonder voor Nederland, dat vooral een land van jenever- en ginstokers is en vooruit: een beetje whisky. De warme stokers maken eau de vie , alcoholisch levenswater van vergist fruit.

Van de zes oprichters van het genootschap zit er eentje aan het eind van onze diagonaal van vandaag: in Luttelgeest. Daar heeft fruitbedrijf Verhage een prachtige boomgaard met kersen, peren, appels en allerlei ander fruit. We nemen meteen een doosje knikkergrote kersen mee uit de boerderijwinkel die grote horden klanten trekt voor vers fruit en dito groenten, en een keur aan regionale delicatessen.

Ons doel is de schuur iets verderop. Dat is het heiligdom van Peter Verhage, derde generatie fruitteler van een pioniersfamilie. In die schuur staat een prachtige koperen stookketel. Het is het warme hart van de stokerij. Peter: „Een aantal jaren geleden was ik op een fruitbeurs in Bolzano en zag allerlei fruittelers die trots een flesje lieten zien met eau de vie, of obstler in het Duits, die van hun fruit was gestookt. Een sterke drank met een mooie fruitige geur. Het is natuurlijk wel sterke drank, en daar moet je van houden.”

Verhage was verkocht en kwam erachter dat er in Midden- en Oost-Europa een enorme wereld van fruitstokers is. De stokers daar gebruiken geen graan, dat is bedoeld voor brood. In sommige landen – in Zwitserland bijvoorbeeld – bestond zelfs tot niet zo lang geleden een verbod op het stoken van graan voor drank. „Maar ze hebben daar zoveel fruit, en daarvan maken ze de lekkerste drank.” Hij vond het dan ook vreemd dat Nederland, dat toch ook niet verlegen zit om vers fruit, nagenoeg geen fruitstokers kende. Mazzel dat Verhage zijn eigen fruit heeft.

Na jaren rijpen komt de zachte goddelijkheid van de eau de vie uit Luttelgeest helemaal tot zijn recht

„Ik ben wat begonnen met het prutsen in een klein keteltje, maar al snel wil je meer.” Dus staat er nu een glanzende speciaal gemaakte koperen ketel van 210 liter, waarin het fruit wordt gestookt. Eerst worden de suikers in de fruitpulp met behulp van gist deels omgezet in alcohol, waarna het in de ketel langzaam wordt opgewarmd. „Uiteindelijk – we hoeven het proces denk ik niet verder uit te leggen, toch? – resteert een ‘middelloop’ van zo’n 85 procent alcohol. Dat is de eau de vie.”

Dan is de alcoholische lekkernij nog niet klaar: voor de optimale smaakontwikkeling ligt de drank nog minimaal een jaar in roestvrijstalen vaten. Daarna wordt hij versneden met water tot de gewenste drinksterkte. „De wittebroodsweken van het ‘huwelijk’ tussen water en alcohol duurt zes weken, daarna kunnen we gaan bottelen.” Of, om het nog spannender te maken, lageren ze de eau de vie nog tenminste drie jaar in houten vaten – „tien jaar oude vaten uit Sauternes”. Dan komt de zachte goddelijkheid van de drank helemaal tot zijn recht.

We wenen een beetje van geluk bij de eau de vie van peren, van de eigen elstar-appels en natuurlijk van kersen. En van de onovertroffen kweepeer. Deze drankjes kunnen perfect bij de kaas, maar Verhage heeft nóg een verrassing: de Appl’eau. Een variatie op pommeau , de Franse drank waarin calvados is versneden met ingedikt appelsap. De Appl’eau is met 17 procent alcohol een perfecte begeleider van onze kaasplank. Maar je kunt hem ook zo drinken, lekker gekoeld als aperitief. Mooi dat er zoveel meer met fruit kan.

Je kunt deze onderwerpen volgen
Extra
Eten & drinken
Zomerserie
menu