De moord op Els Slurink - Aflevering 4: Wie gooide een paar weken voor de moord een putdeksel door de ruit van Els' woning?

Putdeksel Foto: JEROEN KELDERMAN

De eerste voorjaarsdag van 1997 is de laatste dag uit het leven van psycholoog Els Slurink (33). Zij wordt thuis, in Groningen, vermoord. Kent ze de dader? Is er jaloezie in het spel? Of weet Els te veel? De politie tast nog altijd in het duister. In de vierde aflevering: wie gooide een zware putdeksel door de slaapkamerruit van Els, heeft een zwerver iets met de moord te maken en waarom weigerde een buurtbewoner DNA af te staan?

ELS SLAAPT. Haar tweepersoonsbed staat in de slaapkamer aan de voorzijde van haar huis, aan de straatkant.

Ze schrikt wakker van een hels kabaal: een keiharde knal - een ontploffing haast - gevolgd door glasgerinkel.

Op het kussen vlak naast Els ligt een loodzwaar, ijzeren putdeksel. Het scheelt niks of het roestbruine gevaarte had haar vol in het gezicht geraakt. In haar slaapkamerraam zit een groot gat.

 

,,Godverdomme!’’ roept Els. De adrenaline giert door haar lijf. ,,Godverdomme!’’

Ze kijkt door het gat in het raam naar buiten, waar ze een schim in het donker ziet verdwijnen. Ze hoort hem schelden.

Het is twee uur ’s nachts. Het is een ravage in haar slaapkamer, overal liggen glasscherven. In het thermopane raam zit een gat van 75 bij 75 centimeter, schat Els.

Ze ruimt de rommel op, voelt hoe zwaar het putdeksel is. Terug in bed valt ze nog even in slaap.

Een paar uur later gaat haar wekker. Het is woensdag 12 februari 1997, een paar weken voor de moord. Psycholoog en onderzoeker Els Slurink moet opschieten om op tijd op haar werk aan de Haydnlaan in Groningen te zijn.

Als ze de achterdeur uitloopt, de tuin in om haar fiets te pakken, wacht haar nóg een verrassing.

Haar fiets is weg.

,,Ze kwam die ochtend wat later binnen, helemaal verhit’’, herinnert haar collega Anneke van Duin zich. ,,'Goh Els, je bent laat', zeiden we. Toen kwam dat verhaal van die fiets en dat putdeksel. Een raar en naar verhaal, maar ze maakte er niet veel woorden aan vuil. Hup, aan het werk; dat was haar mentaliteit.’’

Ze wuift bezorgde vragen van collega’s laconiek weg. Toch weten die haar over te halen naar de politie te gaan, wat ze een dag later doet. ,,Ze doet aangifte van de diefstal van haar fiets en van een poging tot woninginbraak. Ze vermoedt dat dezelfde persoon die het raam heeft ingegooid ook de fiets heeft weggenomen’’, noteert de politie, die geen actie onderneemt.

 

DE ACHTERDEUR NIET OP SLOT

Zes weken later is Els dood. Ze is vermoord in de nacht van 20 op 21 maart 1997, met één steek in haar hart, in haar huis aan het Van Brakelplein nummer 40.

In het moordonderzoek krijgt het putdeksel de volle aandacht van de politie. Het ligt in het schuurtje van Els, maar de politie kan er geen vingerafdrukken meer op vinden. Wel ontdekt de politie dat degene die het putdeksel door haar raam smijt, er eerst een eind mee heeft gesjouwd.

Het blijkt afkomstig uit een brandgang achter de Van Speijkstraat, zo’n 280 meter van Els’ huis vandaan. Goed beschouwd een klein eindje lopen, maar met een putdeksel van 12,5 kilo in je hand een hele onderneming.

Wie het ding heeft gegooid, achterhaalt de politie niet.

Het Van Brakelplein ligt in de Zeeheldenbuurt, een vooroorlogse wijk tegen de binnenstad van Groningen aan, onder de rook van tabakfabriek Theodorus Niemeyer. Een enorme vijver met een klaterende fontein vormt het hart van het plein.

Om het water heen staan rijen huizen uit de jaren dertig, opgedeeld in beneden- en bovenwoningen. Ze hebben allen ruim uitzicht over het water, de stoepen zijn breed, de voortuinen overzichtelijk.

Heel anders is het aan de achterkant van de woningen. Daar bevinden zich nauwe steegjes alias brandgangen met aan beide zijden een wirwar van deuren. Die leiden naar de achtertuinen en schuurtjes van de beneden- en bovenwoningen. De brandgangen zijn schots en scheef betegeld, nauwelijks verlicht en Jan en alleman kan er komen.

Els komt in mei 1996 aan het Van Brakelplein wonen. Ze heeft er een benedenwoning gekocht. De studenten boven haar bereiken hun huis via de stenen trap naast Els’ voordeur. Een druivenrank siert haar voorgevel, het voortuintje doet vooral dienst als fietsenstalling van de studenten. Els gaat altijd achterom.

,,Hier woonde van alles. Oudere mensen, alleenstaanden, studenten. En jonge stellen die hun eerste kind kregen en daarna verhuisden’’, zegt José, de toenmalige buurvrouw van Els. Zij woont er samen met haar vriend en zijn twee kinderen.

En ze woont er graag, net als haar buurvrouw Evelien van een paar huizen verderop. Met de ene buur maken ze een praatje, de andere groeten ze alleen, bij weer een andere komen ze op verjaardag. ’s Nachts fietsen ze met een gerust hart in hun eentje naar huis vanuit de binnenstad.

,,Met mooi weer liet ik de tuindeuren open staan’’, zegt José. ,,Ik denk dat Els dat ook deed. Haar achterdeur heeft die nacht vast niet op slot gezeten.’’

Zij leert Els in januari kennen, als ze zo’n driekwart jaar haar buurvrouw is. ,,We dronken bij mij thuis een fles wijn leeg, heel gezellig. Ik weet nog dat ik het jammer vond dat ik haar pas na al die maanden leerde kennen. Ze was iemand met wie ik vriendinnen kon worden.’’

 

Ze ontmoet Els daarna nog een keer. Dat is in februari, op de ledenvergadering van de Vereniging van Eigenaren (VVE) waarbij 58 huiseigenaren van de noordzijde van het Van Brakelplein zijn aangesloten. Ze hebben het over de balkonrot die hun huizen teistert.

Daar is ook Evelien. Ze weet het nog precies. ,,Voor de vergadering begon, zat Els op een tafeltje. Wij hoorden haar vertellen over dat putdeksel, aan Henri, de technische man van de VVE. Niemand wist dat dat was gebeurd, waarop Els zei: ‘Je kunt hier vermoord worden zonder dat iemand uit de buurt het hoort’.’’

Een paar weken na de vergadering is Els dood.

EN TOEN WERD HET STIL

Twee collega’s zien Els op vrijdagmiddag 21 maart 1997 in haar huiskamer liggen. Ze is vermoord.

Evelien herinnert zich dat ze die middag haar huis niet in kan, omdat de politie een stuk van het Van Brakelplein heeft afgezet. Buurvrouw José is thuis, maar krijgt in eerste instantie niets mee van de consternatie rond Els’ woning. ,,Ik zat dia’s te kijken met mijn stiefkinderen, met het zonnescherm naar beneden. Toen ik dat omhoog deed, zag ik allemaal politie.’’

 

Ze rent naar buiten, hoort dat Els dood gevonden is en stapt op een van de rechercheurs af. ,,Ik heb heel veel herrie gehoord vannacht’’, zegt ze tegen hem.

De recherche komt pas twee of drie dagen later bij haar thuis.

José zit op de avond van 20 maart 1997 achter de naaimachine. Ze maakt een indianenpak en een prinsessenjurk voor haar stiefkinderen, die de volgende dag een feestdag hebben op school en verkleed mogen komen.

Het naaien neemt meer tijd in beslag dan ze verwacht. Tot diep in de nacht is ze ermee bezig.

Rond enen hoort ze iets. Gebonk op hout.

Ze denkt in eerste instantie dat het bij de bovenburen is, die ze wel vaker hoort. ,,Bij Els was het altijd stil’’, zegt ze.

Ze hoort een vrouw zakelijk praten en een man op boze toon. Daarna geschuif, voetstappen en een kreet van pijn. ,,En toen werd het stil.’’

Els’ achterbuurvrouw Corien Bleeker komt die nacht laat thuis in haar bovenwoning aan de Van Heemskerckstraat. Als ze naar bed gaat, doet ze de gordijnen dicht en kijkt daarbij naar de achterkant van het huis van Els. Uit gewoonte. ,,Vóór Els woonde daar een vriend van mij. Ik zag de achterdeur van de keuken wagenwijd open staan. Raar, vond ik.’’

Ze blijft kijken. ,,Ik zag een vaag schijnsel in de keuken en in de tuin zag ik iemand bewegen.’’

 

Corien drinkt haar multivitaminedrankje op en als ze in bed ligt, hoort ze een deur dichtklappen. ,,Ze zijn weer aan het inbreken, dacht ik. Er werd in die tijd veel ingebroken in de schuurtjes die in onze achtertuinen staan.’’

Van Brakelplein 1997. Rustige buurt, waar inbraak in schuurtjes gewoon is. Waar zwervers dolen. Buurt ook waar alleenstaande, jonge vrouwen zich veilig wanen.

Vanmiddag op de fiets naar sport, claxon van een auto op het moment dat hij me voorbij rijdt. Ik denk, het zal toch niet? Ik draai me om, de auto keert voor de studentenflat, schrijft Els op 19 januari 1997 in haar dagboek.

Een dag eerder noteert ze: Net met Jaap aan de lijn gehangen, daarvoor een mysterieus telefoontje dat afbrak toen ik na slechts drie ringeltjes opnam. Wie was dat?

In de bovenwoning naast Els gaat ergens in januari om drie uur ’s nachts de voordeurbel. De bewoner springt uit bed en  doet open. Op de stoep staat een grote, slonzige man in een lange dunne jas. Hij heeft warrig en lang haar.

Het is de zwerver.

Die vertelt dat hij geld noch onderdak heeft. En dat hij een afspraak heeft met de benedenbuurvrouw. De buurman loopt met de zwerver mee als die tevergeefs beneden bij Els aanbelt en geeft hem 25 gulden waarna de zwerver weg fietst. De nacht in.

NIEUWE SCENARIO'S

Bijna tien jaar na de moord op Els houdt het coldcaseteam het politieonderzoek tegen het licht. Nieuwe rechercheurs bekijken de zaak Els Slurink en richten zich op de zwerver.

In dit nieuwe scenario van de politie vergist de zwerver zich: hij moest niet bij Els zijn, maar bij haar Russische buurvrouw.

De zwerver is berucht in de stad. Hij is een dwaas type dat gekromd en beweeglijk de straten afschuimt. Hij schreeuwt en scheldt, zoekt ruzie.

In de maanden voor de moord struint hij veel rond in de Zeeheldenbuurt. Om aan geld te komen voor zijn verslaving aan heroïne en cocaïne, breekt hij in en steelt hij fietsen. Hij kent de steegjes als zijn broekzak, stapt soms brutaalweg door achtertuinen. Hij heeft in deze buurt vaste adresjes waar hij met succes om kleingeld bedelt. Een van die adresjes is de benedenwoning naast Els.

Daar woont, in de weekenden, een Russische vrouw. Zij staat bekend om haar excentrieke levensstijl en haar bijzondere contacten. Zo laat ze de zwerver weleens binnen om een potje schaak met hem te spelen.

Vergist de zwerver zich als hij in januari aanbelt bij een bovenbuurman van Els? Vergist hij zich opnieuw in de nacht van 12 februari? Heeft hij toen herhaaldelijk aangebeld bij de Russische en wilde hij uit frustratie een putdeksel bij háár door het raam gooien? Vergist hij zich zes weken later voor de derde keer op rij als hij in de nacht van 20 op 21 maart in het verkeerde huis oog in oog staat met Els en haar doodsteekt?

 

De recherche begint in het scenario te geloven. Maar hoe aannemelijk is het dat een verwarde zwerver in z’n boosheid een putdeksel ophaalt dat bijna 300 meter verderop ligt? Tamelijk aannemelijk, meent de recherche, juist omdat de zwerver zich vaker onnavolgbaar gedraagt.

Vingerafdrukken en DNA van de zwerver komen niet overeen met de sporen in Els’ huis.

En de Russische buurvrouw?

Die wordt jarenlang met rust gelaten. Als de recherche tien jaar na de moord alsnog met haar praat, verklaart ze het volgende, zo staat in het politierapport te lezen. ,,Ik heb weleens gedacht dat hij het op mij had voorzien. Ik was de nacht van de moord alleen in de woonkamer, ik had wijn gedronken. Mijn man was al naar bed en ik liep slechts gekleed in mijn badjas in de woonkamer. Op dat moment meende ik op de weg een schim te hebben gezien. Ik kan u niet precies zeggen wat ik zag. Ik werd me plotseling bewust van het feit dat mijn badjas aan de voorzijde nog open was en dat ik met ontblote borsten zichtbaar was vanaf de straat. De gordijnen waren namelijk niet gesloten. Ik heb toen snel de gordijnen dicht gedaan. Later heb ik weleens gedacht dat de moordenaar van mijn buurvrouw mogelijk de schim was die ik buiten had gezien. Dat die man mijn naakte bovenlichaam had gezien en dat dit de reden is geweest dat hij naar de achterkant van onze woningen is gegaan. Deze gedachte volgend zou het mogelijk geweest kunnen zijn dat hij bij vergissing de woning van mijn buurvrouw is binnengedrongen, met het bekende gevolg.’’

Ook een ander scenario van de politie komt in die tijd, tien jaar na de moord, weer bovendrijven. Het betreft de buurman van een paar huizen verderop: Henri, de technische man van de VVE, de vereniging van huiseigenaren.

Die belt na de uitzending van Opsporing Verzocht, in januari 1998, met de politie. Het blijkt een telefoontje waaruit opmerkelijke zaken rollen, waarmee de politie in eerste instantie niet veel doet.

Henri vertelt de politie dat hij na Els’ dood, in de nazomer van 1997, met zijn vriendin appels raapt in de achtertuin. En aan de voet van de appelboom een sleutel vindt met een sleutelhanger van stof eraan.

,,Misschien is het wel de sleutel van Els’’, zegt hij dan tegen zijn vriendin. Hetzelfde zegt hij in die tijd ook tegen anderen, zo ontdekt de politie.

Die vindt dat opmerkelijk, omdat de politie vóór Opsporing Verzocht nooit actief naar buiten heeft gebracht dat er een sleutel van Els verdwenen is. Henri en zijn vriendin houden de sleutel een poosje in huis en gooien ‘m dan in de prullenbak.

De politie vindt het ook opmerkelijk dat Henri en zijn vriendin zeggen dat de sleutel niet roestig is, terwijl die - als ie van Els is - maanden buiten heeft gelegen. Uit een proef van de politie blijkt dat een dergelijke sleutel na twaalf dagen begint te roesten.

 

En er is nog iets. De politie ontdekt dat Henri altijd op kistjes loopt. Hij heeft drie paar die overeenkomen met het model dat de politie zoekt.

Pas zes jaar na de moord verhoort de politie Henri voor het eerst. Zijn kistjes zijn zodanig afgesleten dat het profiel afwijkt van de aangetroffen schoensporen in de tuin.

De politie houdt bedenkingen bij Henri en vraagt hem in 2006 om DNA af te staan. Hij weigert. Tot op de dag van vandaag is schimmig waarom.

Want ruim tien jaar na de moord, eind 2007, staat Henri zijn DNA alsnog af. Het komt niet overeen met het DNA-spoor dat onder Els’ nagels is aangetroffen.

De politie staat voor de zoveelste keer met lege handen. Die laat weer een verdachte lopen omdat DNA en vingerafdruk niet sporen.

In totaal neemt de politie van meer dan honderd personen vingerafdrukken af, van zo’n dertig mannen DNA.

Onder hen familieleden van Els, collega’s, buren, vage bekenden, onbekenden. Vrienden.

En mannen met wie Els iets had. De liefde, of iets wat daarnaar neigt.

*Henri, Evelien en José zijn gefingeerde namen. Henri wilde niet meewerken aan dit verhaal.

Voor deze serie sprak DVHN met tientallen betrokkenen (onder wie familieleden, vrienden, collega’s, ex-geliefden, buren en politiemedewerkers) en zag tal van rapporten en dossiers in.

Nieuws

menu