.

Vissers smokkelen coke en hasj via de havens van Lauwersoog en Delfzijl. Deze smokkelaar doet zijn verhaal. Hij is 88 jaar oud, maar denkt niet aan stoppen

De smokkelaar woont in een havenplaats. Welke doet er niet zo toe. Net als de meeste schippers is hij thuis in elke haven – IJmuiden, Den Helder, Den Oever, Harlingen, Lauwersoog, Urk, Volendam – en net zo goed ook in die van Spanje en Portugal en Marokko.

Hij vaart er zo naartoe, en terug met een boot vol hasj. Vijftig, dertig, tien jaar geleden, en als ze hem zouden vragen ook nu nog.

Dat hij smokkelaar is, lijdt geen twijfel. Hij heeft ervoor in de gevangenis gezeten, en er zijn nieuwsberichten, gerechtsstukken en brieven van zijn advocaat die het bewijzen. Hij haalde zelfs het nieuws toen hij werd gepakt in Spanje. De media raakten destijds niet uitgeschreven over zijn leeftijd: ’een schipper van 78’. Hij kan er alleen maar om glimlachen. Hij heeft zijn straf uitgezeten. Sindsdien is het weer een beetje stil geworden, en nu is het tijd om te praten.

Ik moest zitten, want ik was van Holland

Die arrestatie in Spanje is nu tien jaar geleden. ,,We werden gepakt in het straatje van Gibraltar. Een man of vier sprongen aan boord met getrokken pistolen. De politie bracht ons naar Alicante. Ik was de lul, ik moest zitten, want ik was van Holland. Mijn bemanning, dat waren twee Kenianen, hebben ze alleen maar het land uitgezet.’’ 

,,Twee tochtjes voor 3,5-duizend gulden... hij zei meteen ja

Hij zat bijna drie jaar in een Spaanse cel, wat niet zo heel anders is dan een Nederlandse cel, zegt hij, ’alleen behandelen ze je daar met meer respect’. Ook verder was het niet zo erg. Eigenlijk lijkt het wel op het leven op zee, waar je immers ook in een kleine ruimte bij elkaar zit, met alleen maar mannen. Het eten was prima. Dat herinnert hij zich goed, zoals hij zich ook altijd herinnert wat voor weer het was tijdens een tocht: eten, geld en het weer, dat zijn zaken die ertoe doen. En voor zijn gezin werd gezorgd zolang hij binnen zat. Ze kwamen eigenlijk niks tekort, zegt hij, ’er was altijd geld’.

Maar vervelend was het natuurlijk wel dat ze met getrokken pistolen op hem afkwamen. Het was ’verraajen werk’, denkt hij, maar weet niet door wie. En die reis heeft niks opgeleverd, helemaal niks. ,,Als ik alle geld had gekregen wat ze me hadden beloofd, dan…’’ na een veelbetekenende stilte maakt hij de zin af: ,,...was ik er allang mee opgehouden.’’

 

Toen was hij nog vriendelijk en gastvrij

Hij rolt onophoudelijk shagjes, zijn broek ligt vol tabakskruimels, de asbak is vol. Hij komt uit de visserij maar dat is alweer lang geleden. Zijn vader was visser en hij en zijn broers dus ook. Ze waren goede vissers, vooral zijn vader was een fantastische zeeman. Als alle anderen binnen waren omdat het weer te slecht was, waren zij nog buiten aan het vissen. Ze hadden eigen kotters, de laatste die hij zelf liet bouwen had een motor met 4.300 pk. Ze hebben goede jaren gehad maar ook mindere, zoals dat gaat. ’In de visserij is het halen en brengen’, zeggen ze en zo is het. Hij is met ruzie uit het bedrijf gestapt toen zijn broer in de weekeinden thuis wilde zijn, wat hem helemaal niet zinde. Hij heeft daarna nog een tijd zijn eigen schip gehad, maar dat raakte hij kwijt door ziekte. Ten slotte voer hij alleen nog als schipper op andermans kotters, en begon hij te smokkelen.

Zijn eerste contact met de hasjwereld was eind jaren zestig. Iemand vroeg hem of hij iemand kende die wat hasj wilde binnenbrengen? Hij zou zelf vijf- of zevenduizend gulden krijgen, alleen voor de informatie. Een aantrekkelijk bedrag voor niet te veel werk, dacht hij. Hij stapte in de auto en reed naar Workum, waar ’de bolle’ woonde. Hij kende hem niet persoonlijk, maar de naam was hem genoemd. De man was thuis, zat daar in zijn blote donder en een korte broek, herinnert hij zich. Die zou later aan de snuif raken, een verkeerde vrouw trouwen, maar toen was hij nog vriendelijk en gastvrij en samen met Loes, een schat van een vrouw. Was hij daar maar bij gebleven. De Bolle zocht net zelf wat mensen om hasj binnen te brengen. ,,Twee tochtjes voor 3,5 (350 duizend gulden)’’. ,,Zou je zelf niet eens voor ons willen varen? Je hoeft niet meteen te antwoorden, denk er maar over na.’’ Nadenken was niet nodig, hij zei meteen ja.

Soms kreeg je geen cent

Een tijd hoorde hij daarna niets, tot hij op een dag werd opgehaald. In 26 uur reden ze naar Albufeira, en later naar de haven van Vilamoura. Daar gingen ze de zee op naar Marokko, waar ’s nachts 1.500 kilo hasj aan boord werd gebracht en ze in het donker weer uitvoeren. Voordat het dag werd waren ze alweer 70 mijl uit de kust van Marokko, op de Atlantische Oceaan, in de richting van IJsland, en daarna de Noordzee op, waar werd overgeladen op ’binnenbrengers’, schepen, meestal kotters, die de drugs aan wal brachten.

Hij had voor die eerste grote reis pas één keer eerder een smokkelreis gemaakt, een kleintje. In 1970 bracht hij met een schip sigaretten van Duitsland naar Denemarken. Op het eilandje Rømø zouden mensen ze op het strand opwachten, maar niemand kwam opdagen. Wel kwam de douane aan boord en die vond de vijf dozen met ieder vijftig sloffen sigaretten. Hij zat acht dagen in de cel. De reis was dus geen succes, maar bracht hem wel binnen in een wereld waar hij nooit meer uit zou willen.

Rijk is hij er niet van geworden, zegt hij. Als het misliep, een boot zonk, een lading werd onderschept, kreeg hij vaak geen cent. Zo werkte dat, en als er wel werd betaald werd er altijd geld afgeroomd. Hij wijst met zijn hand: hier ben jij, en daarboven zitten de mannetjes – hij doet ollekebolleke met zijn handen: ’mannetje, mannetje, mannetje’ – en allemaal pakken ze geld.

,,Zeg ons voor wie de sigaretten waren, geef ons een naam

Maar je wordt er natuurlijk ook niet arm van. En sommigen hebben het heel erg goed. Hij kent ze wel, de mensen aan de top, die inderdaad op de mooiste plaatsjes van het land wonen. ,,Die kopstukken dat zijn slimme jongens.’’ Maar namen noemt hij natuurlijk niet.

Betrouwbare mensen... Niemand laat iets los

De politie zegt een lijst te hebben met honderd namen van mensen die betrokken zouden zijn bij drugssmokkel, -handel en het witwassen van geld, allemaal uit Noord-Holland, waar ook de smokkelaar een groot deel van zijn leven sleet. 

Honderd mensen? Hoeveel daarvan varen er? Zijn het er echt zoveel? Minder? Meer? Hij weet het niet, ,,maar er gaat meer om in Holland dan je denkt’’, zegt hij, dus wie weet. De politie zal er sowieso nooit achter komen, denkt hij: ,,Er zitten betrouwbare mensen in de smokkel, goeie jongens, niemand daar laat ooit iets los’’, zegt hij. ,,Dat kunnen ze nooit stoppen.’’

,,Namen noemen? Dan krijg ik een paar kogels

De politie en de douane hebben ook hem zelden te pakken gekregen, en als ze hem pakten hield hij de kaken stijf op elkaar. Zijn eerste arrestatie, in Denemarken, heeft hij bewezen dat hij wat dat betreft uit het goede hout was gesneden. Elke dag werd hij daar ondervraagd, elke dag zei die politieman: zeg ons voor wie de sigaretten waren, geef ons een naam, en we laten je vrij. En elke dag zei hij: ’Ik zal je vertellen wat ik weet. Ik weet niks’. Tot ze het beu waren en hem op de trein zetten.

Zo gaat het met iedereen die wordt gepakt, vermoedt hij. Je houdt je mond, zit je tijd uit en gaat weer verder.

Hasj of coke: het zijn altijd Marokkanen

De pakkans lijkt wel groter te zijn geworden. Nu hebben alle schepen AIS (de gps waarmee schepen net als vliegtuigen met een simpele app te volgen zijn). Er is radar, internet, en er zijn onderschepte PGP-berichten die justitie kan ontcijferen. Er zijn wat mensen veroordeeld in ’mega-zaken’ met codenamen als Sprinkhaan, Higgins, Puls of Kastanje, grote jongens zoals Muhammed S. die dertien jaar kreeg voor de smokkel van 216 kilo cocaïne met de Urker kotter Z181 in 2017, een Marokkaan die rechtstreeks in contact zou staan met Ridouan Taghi, de notoire cocaïnehandelaar die in het Marengo-proces terechtstaat voor een reeks spraakmakende liquidaties. 

,,Dan vraag je: was het de moeite waard?

Met dat soort grote criminelen mensen deed de Urker Johan N. zaken, eigenaar van de Z181. Gedwongen, zei die zelf: hij was door de criminelen zwaar onder druk gezet om mee te doen, ze kenden zijn hele gezin en zelfs hun BSN-nummers, en lieten een foto zien die ze van zijn dochter hadden. Ook voor de rechtbank weigerde N. te praten, uit angst, zei hij. ,,Wat moet ik dán doen? De namen noemen? Dan ben ik misschien twee jaar eerder thuis, maar krijg ik een paar kogels door me heen.’’ Hij kreeg vier jaar, en houdt nog steeds zijn mond stijf dicht.

De smokkelaar snapt dat. ,,Coke is een gevaarlijke handel. Heel anders dan de hasj’’, zegt hij. Met coke heeft hij nooit te maken gehad, zegt hij. In ieder geval vertelt hij er niet over. Maar hasj of coke: ’het zijn altijd Marokkanen die erachter zitten’.

Tonnen hasj overladen op open zee

Hij kent ze niet persoonlijk, nooit noemen ze hun naam of telefoonnummer, ze komen langs als ze wat moeten en vertrekken dan weer. Zo werkt het. Bang dat ze hem voor zijn kop zullen schieten is hij niet, maar hij heeft zijn naam desondanks liever niet in de krant: als ze weten dat hij met een journalist praat, geven ze hem misschien geen tochtjes meer. Dat is zijn grootste zorg. Hij wil er namelijk nog altijd niet mee ophouden, ook al is hij inmiddels 88 en loopt hij met een rollator – dat is tijdelijk, zegt hij, tot het met dat been weer goed is: ,,Je hoeft helemaal niet sterk te zijn om een boot te besturen, dat doe je met een muis, dus zolang je in de stoel op de brug kunt zitten kun je varen, en zolang je kunt varen kun je ’tochtjes’ maken.’’

Hij voer vaak met jachten, soms van twintig meter lang, en toen een keer de brandstof op was voeren ze zelfs een hele reis op de zeilen. ,,Dat duurde wat langer’’, voegt hij er laconiek aan toe. 

Hij heeft stormen gehad, schuim op de Noordzee bij windkracht 9, de kuip vol water, maar ok, ’wat erop komt gaat er ook weer af’, met pech in havens gelegen, maanden op reparaties moeten wachten, op ’aanpassingen’ van boten waarachter ze de lading konden verstouwen, en op open zee heeft hij weer of geen weer tonnen hasj moeten overladen, met de hand. ,,Pakketjes zo zwaar dat ik er één tegelijk kon tillen.’’ Altijd op de Noordzee, en ’altijd op Wieringer kotters’, zegt hij: Wieringen, daar kwamen zijn binnenbrengers vandaan. 

Dat overladen gebeurde ’voorbij de tweede botenlijn’, dus meer dan vijftig kilometer uit de kust, uit het zicht van iedereen, waar de grote containerschepen en tankers varen.

Met getrokken pistolen opgepakt

,,Een keer was het weer zo wild dat we niet langszij konden blijven liggen. Touwen, zó dik, knapten als luciferhoutjes.’’ Toen voer de kotter weg en kwamen ze met een grote snelle rubberboot, die lading naar het strand bracht. Dat ging een stuk langzamer dan met een kotter, natuurlijk, maar het ging. Normaal deden ze al een halve dag over dat overladen. Als hun schip leeg was gingen ze aan wal, en dan naar huis.

De laatste keer is zijn schip onder zijn voeten gezonken. Het begon te lekken en de pompen deden het niet goed. Vreemd was dat, en daarom denkt hij dat het verraden was, mogelijk vanuit Nederland, want een schip zinkt toch niet zomaar? ,,We hadden niets om het water mee uit de boot te halen.’’ De Spaanse kustwacht volgde ze, een vliegtuigje was erbij – daar staan nog steeds filmpjes van op Youtube – en toen werden ze dus met getrokken pistolen opgepakt. Hij kreeg 5,5 jaar gevangenisstraf, werd toen hij de helft daarvan had uitgezeten naar Nederland overgebracht, zat een paar dagen in Amsterdam en Rotterdam, zat in Drenthe, en zat de rest van zijn straf uit in Leeuwarden.

Kijken naar de zee

De officier van justitie in Nederland vond dat hij daar nog achttien maanden moest zitten, omdat hij hem ervan verdacht jaren eerder ook al een drugsschip te hebben bestuurd. Dat was in de ’Sprinkhaan-zaak’, een van de ’mega-zaken’ die in Nederland werden vervolgd. Kranten noemden hem toen ’drugskapitein’. 

Hij kwam vervroegd vrij, maar mocht met niemand meer contact hebben, vertelt hij. Deed hij het toch, dan zou hij opnieuw worden opgepakt. Hij kon dus niks doen, ze werden afgeluisterd, in de gaten gehouden, zegt hij. Toen hij vastzat stond er een auto voor het huis met twee mannen erin die zijn vrouw aanspraken. Dat was niet leuk, dat ze haar daarbij betrokken.

Na zijn vrijlating zat hij alleen nog maar thuis. Hij ging wel elke dag naar de haven om te kijken. Naar de zee? ,,Nou nee, de zee… niet echt.’’ Meer naar het heen en weer van de kotters, de drukte op de kade, busjes, auto’s en scootertjes die af en aan reden. Het leven, dat hij miste.

Maar zelfs de haven zit er nu even niet in, dat gaat niet zo met die rollator. Waar hij dus zo snel mogelijk vanaf wil. Hij kijkt op, spreidt vragend zijn handen, en zegt: ‘Dan vraag je: was het de moeite waard? Nee, welnee, het was allemaal niks.’

menu