Hoogleraar strafrecht van de RUG Bert Röling berechtte oorlogsmisdadigers na de bevrijding: 'De doodsvonnissen heeft hij zijn leven lang verdedigd'

Met de oorlog en de roes van de bevrijding achter de rug moest Nederland 75 jaar geleden wederopbouwen. Een van de mensen die daarin een rol speelde was RUG-hoogleraar Bert Röling (1906-1985) die oorlogsmisdadigers moest berechten.

Bert Röling (inzet, rechts) was als enige Nederlander rechter bij het Internationaal Militair Tribunaal voor het Verre Oosten in Tokio. Zijn zoon Hugo (inzet, links) schreef het boek De rechter die geen ontzag had.

Bert Röling (inzet, rechts) was als enige Nederlander rechter bij het Internationaal Militair Tribunaal voor het Verre Oosten in Tokio. Zijn zoon Hugo (inzet, links) schreef het boek De rechter die geen ontzag had. Beeld: Wikipedia/ANP/HH

Rechter Röling hoorde bij de magistraten die na vijf jaar oorlog de verantwoordelijken voor de gruweldaden aan zich voorbij zagen trekken en die in het kader van de Bijzondere Rechtspleging moesten bepalen wie op welke manier hoorde te worden bestraft. Hij deed dat volgens zijn zoon Hugo zonder moeite te hebben met het vellen van het zwaarst denkbare oordeel; een doodsvonnis. Mits de juridische onderbouwing daarvoor juist was.

Vreselijke misdaden

„Het is nu misschien lastig voor te stellen, maar er was onder mensen die de oorlog hadden meegemaakt en direct erna hadden gehoord welke vreselijke misdaden waren gepleegd een soort sfeer van ’dit kan alleen met extreme middelen worden bestreden’. Hij was het daarom met de doodsvonnissen eens en heeft die zijn leven lang verdedigd”, zegt Hugo Röling die over zijn vader het boek De rechter die geen ontzag had schreef.

In de geschiedenis neemt Bert Röling een unieke plek in omdat hij als enige Nederlander rechter bij het Internationaal Militair Tribunaal voor het Verre Oosten in Tokio was. De Japanse evenknie van het Neurenbergproces waarbij de nazi-kopstukken werden berecht. Hij toonde zich daar vooral een uitermate principieel man.

Politieke inmenging die door de Amerikaanse en Britse rechters als normaal werd gezien, duldde hij niet. Het zorgde volgens zijn zoon voor internationale politieke spanningen tussen deze landen en het onze.

 

Doodstraf

Het ministerie van Buitenlandse Zaken stuurde zelfs een medewerker om de rechter met de rechte rug toe te spreken. De gezant bleek het alleen uitstekend met Röling te kunnen vinden en rapporteerde aan Den Haag dat de magistraat met zijn principiële opstelling gelijk had.

De rechter mocht in Tokio net zo onafhankelijk zijn als op zijn eerdere standplaatsen Utrecht en Middelburg. Ook al vonden Londen en Washington dat maar niks. Bert Röling isoleerde zich er wel mee van de meeste andere tribunaalrechters en schreef zijn vonnis solo in een afgelegen vakantiehuisje. In negen van de aan hem voorgelegde 26 zaken vond hij de doodstraf op zijn plaats. Twee keer meer dan de zeven collega’s die samen tot een vonnis kwamen.

Politieke poppenkast

Zo frustrerend als de Japanse periode op momenten was geweest – in brieven sprak de rechter van ’een politieke poppenkast’ – het internationaal strafrecht en het berechten van oorlogsmisdadigers lieten hem niet meer los.

Terug in Nederland werd Röling benoemd tot hoogleraar strafrecht aan de Rijksuniversiteit Groningen en werd hij gevraagd zitting te nemen in de Bijzondere Raad van Cassatie. De laatste juridische appelmogelijkheid voor oorlogsmisdadigers op gratie door de koningin na. De zittingen van dit orgaan in Leeuwarden vond zijn vader volgens Hugo Röling afschuwelijk.

Zwarte bladzijde

„Hij kreeg mensen voor zich die gruwelijke misdaden hadden begaan, maar die tegelijkertijd vijf jaar na de oorlog waren gereduceerd tot zielige hoopjes mens. Waarvan sommigen in een rolstoel zaten omdat ze tijdens hun gevangenschap invalide waren geslagen. Vreselijke gevallen, slachtoffers van de periode direct na de oorlog waarin ruim honderdduizend mensen werden aangehouden en geïnterneerd en waarin afschuwelijke misstanden plaatshadden. Echt een zwarte bladzijde uit onze geschiedenis.”

„Ik vermoed dat mijn vader daarvan wist want hij was één van de notabelen die zich op Walcheren, waar wij het grootste deel van de oorlog woonden, uitsprak tegen het idee moffenmeiden naar een interneringskamp te sturen. Dat overleven ze niet, was zijn inschatting. Daarom lieten ze hen het volksgericht van kaalscheren gecontroleerd ondergaan. Dat was afgrijselijk, maar daarna konden die meisjes terug naar huis.”

Rechtlijnige rechtvaardigheid

„De mensen die mijn vader bij de Raad van Cassatie voor zich zag waren verdachten die in ’45 met spoed hadden moeten worden berecht en veroordeeld, vond hij. Hij had er toen geen moeite mee gehad ze ter dood te veroordelen. Maar wat moest je er vijf jaar later mee? Hij was er vrij snel van overtuigd dat je mensen niet meer kon executeren zo lang na het gepleegde feit. Dat gevoel van noem het maar rechtlijnige rechtvaardigheid, dat kenmerkte hem.”

Bijzondere Rechtspleging

Al twee jaar voor het einde van de oorlog begon de regering in ballingschap met de voorbereidingen op de strafrechtelijke afhandeling van de oorlog.

Speciale gerechtshoven in Amsterdam, Arnhem, Den Bosch, Den Haag en Leeuwarden behandelden de zaken van hen die zich schuldig hadden gemaakt aan collaboratie, hoog- en landverraad en oorlogsmisdaden. Rond de 150.000 personen werden gearresteerd in het kader van de Bijzondere Rechtspleging. Dat aantal zaken was veel te groot om te behandelen. Negentigduizend van hen werden niet vervolgd.

De Bijzondere Gerechtshoven spraken 14.000 vonnissen uit. In 145 gevallen was dat een doodsvonnis. Het leeuwendeel – 103 zaken – daarvan werd na een succesvolle cassatie of gratie door de koningin niet uitgevoerd, maar omgezet in levenslang of een andere vrijheidsstraf. Onder de terdoodveroordeelden waren propagandist Max Blokzijl en NSB-leider Anton Mussert. De laatste executies vonden in 1952 plaats.

Je kunt deze onderwerpen volgen
Groningen
menu