Nieuwe RUG-baas Jouke de Vries verkiest het Noorden boven China

De nieuwe voorzitter van de Rijksuniversiteit Groningen Jouke de Vries richt de blik van de academie op het Noorden. „Verder internationaliseren kan pas als de regio op orde is.”

Jouke de Vries: „Ik observeer lang. Ik handel niet onmiddellijk.” Foto: Marjorie Noë

Jouke de Vries: „Ik observeer lang. Ik handel niet onmiddellijk.” Foto: Marjorie Noë

Als Jouke de Vries langs een tweedehandsboekenstalletje loopt móet hij even neuzen. Laatst kocht hij drie boeken over de geschiedenis van Groningen. Een van de drie ligt open op zijn bureau. Iets over achttiende-eeuwse patriotten in de stad.

De Vries – man in pak – veert enthousiast op uit zijn stoel, pakt het boek en bladert. Kijk, een hoofdstuk over de universiteit. Kijk, een tekening van hoe de gebouwen er toen uitzagen.

„Ik ben nu in Groningen. Dan wil ik ook weten wat hier is gebeurd.”

Eerst de geschiedenis

Op 1 oktober 2018 werd Jouke de Vries (58) collegevoorzitter van de Rijksuniversiteit Groningen. In Leeuwarden kenden ze hem al een paar jaar als decaan van de Campus Fryslân, in Groningen was hij nog vrij onbekend. De Friese bestuurskundige die carrière maakte aan de Universiteit Leiden begon aan zijn nieuwe baan in de luwte.

Eerst kennismaken. Eerst weten waar hij is. Eerst lezen over die geschiedenis.

„Ik observeer lang. Ik handel niet onmiddellijk.”

De Vries werd geboren in Dearsum in Friesland, hij groeide op in Balk. Van zijn ouders kreeg hij taal, poëzie, literatuur mee. Ze hadden een brede belangstelling maar kregen door de oorlog geen kans om te studeren. De kinderen voelden een druk om te presteren.

„Als je met een 6 thuiskwam was het, zonder dat ze dat verder toonden, duidelijk dat het ook wel een 7 of een 8 had mogen zijn.”

Als jongen van 16 bij de gemeenteraad

Hij schreef graag. Toen de Balkster Courant dat ontdekte mocht hij als jongen van 16 verslag doen van de gemeenteraad. Bloedserieus. Zijn politieke interesse was breed. Zijn ouders corrigeerden zijn stukken. „Kreeg ik ze rood terug.”

Zijn teksten afgedrukt in de krant, dat was iets magisch. „Dat gevoel heb ik altijd gehouden. Ook later met publicaties. Die had ik op mijn nachtkastje liggen. Mijn vrouw werd er weleens gek van: ‘Nou weten we het wel’.”

Die Friese afkomst kan niemand ontgaan. Het accent is in de dertig jaar dat hij in Leiden woonde fier overeind gebleven. De bravoure en de levendigheid waarmee hij spreekt doen wel Randstedelijk aan. Hij is iemand die zich overal thuis voelt. Balk, Amsterdam, Leiden, Den Haag, Leeuwarden, Groningen.

Jouke de Vries vermaakt zich. Dat zie je.

Getypeerd door Martin Bril

De bekende schrijver en de Volkskrant-columnist Martin Bril beschreef hem zestien jaar geleden zo: ‘Jouke de Vries komt uit Balk, Friesland, en dat kun je horen ook. Hij is hoogleraar in Leiden en daar merk je niks van. Hij is 42, maar ziet er ouder uit, tenzij je lang naar hem kijkt; dan wordt hij steeds jonger, wat komt door zijn bruine ogen die brutaal twinkelen achter ronde brillenglazen. Als extra bonus hanteert Jouke een schaterende lach.’

Bril observeerde De Vries toen hij zich in 2002 kandidaat stelde voor het lijsttrekkerschap van de PvdA. Het waren de eerste open lijsttrekkersverkiezingen van de partij en de enige kandidaten waren Wouter Bos, Jeltje van Nieuwenhoven en Klaas de Vries. Partijbonzen, niemand van buiten.

Een farce, vond De Vries. Dus deed hij maar mee. Kansloos, uiteraard, maar hij had een mooie tijd. Martin Bril wijdde die weken drie columns aan hem.

„Ik was een bewonderaar van de observaties van Bril. Ineens was ik zelf het object. Hij was zo treffend. Ik vroeg aan mensen: ‘Ben ik echt zo?’ Ze zeiden: ‘Ja, dat klopt precies’.”

‘Jouke had geen makkelijke avond in Gouda’, schreef Bril ook. ‘Hij zat tussen de bladeren van een grote plant in een verduisterde hoek (ter vergelijk: Wouter werd omringd door kaarsen) en werd voortdurend door Aad Kosto gepest met het feit dat hij zijn colbertje aanhield. Jouke maakte af en toe een verloren indruk, maar het leek hem niet te deren.’

‘Wil je op de lijst?’

De Vries had de sympathie. Later, in een zaaltje in Groningen, vroeg Wouter Bos hem: „Wil je op de lijst?” De Vries weigerde. Hij was nog maar net hoogleraar in Leiden, een baan waarvan hij lang had gedroomd, en dat wilde hij blijven.

Politiek fascineert hem, hij bestudeert het spel en de knikkers op wetenschappelijk niveau en zit er dicht op. Hij is lid van de PvdA vanwege het sociale rechtvaardigheidsprincipe en omdat ons economisch systeem volgens hem wel wat correcties vergt. „Maar de academie trekt me toch het meest.”

Die academie is ook een bastion tégen de politiek. Tegen beroepspolitici die precies weten waar ze moeten zitten om zo goed en zo lang mogelijk in beeld te zijn. Tegen de waan van de dag. „Het is belangrijk dat er instituties zijn die dat tegenwicht bieden. Deze universiteit zit hier al sinds 1614. Die blijft.”

Het gaat goed, er zijn problemen

De Rijksuniversiteit Groningen staat er goed voor. Daarover heeft De Vries geen zorgen. „Een plek in de internationale Top 100 van universiteiten, mateloos populair onder studenten, toponderzoekers die naam maken. Iedereen weet wat de universiteit van Groningen is.”

Aan de top is het wel moeilijk bewegen. En er zijn ook problemen. Groningen is hard gegroeid, personeel zucht onder de werkdruk, studenten kunnen moeilijk kamers vinden, de vrees bestaat dat vooral het onderwijs te lijden heeft onder het succes van de internationale research-universiteit die de Rijksuniversiteit Groningen is geworden.

„Begrijpen wij de tijd nog wel goed?”, vroeg Jouke de Vries zich onlangs hardop af bij de vereniging van Nederlandse universiteiten VSNU.

Er is wat gaande. Studenten bekritiseren de groei, vragen wat die internationale rankings eigenlijk waard zijn. Medewerkers willen ook carrière kunnen maken zonder dat ze per se in de toptijdschriften moeten publiceren. Het is tijd voor nieuwe wegen, concludeert De Vries.

„We werken al heel lang met het marktdenken uit de jaren tachtig. Input/output-criteria, rendement. Dat is zo langzamerhand uitgewerkt. Er is een bredere behoefte, er leven andere vragen. Die kunnen we moeilijk beantwoorden als we met dat oude beeld naar de werkelijkheid blijven kijken.”

Interessant vond De Vries het spandoek dat studenten in de stad hingen: De universiteit is geen bedrijf. „Wat is het dan wel? Dat stond er niet bij. Kom dan maar met antwoorden. Daarover wil ik graag nadenken met studenten, medewerkers, de hele gemeenschap. Wat is de kern? Daar worstelen we mee.”

Geschiedenis, zijn eerste liefde

Vanuit Balk liftte de jonge Jouke de Vries naar Amsterdam. Hij ging politicologie studeren. Zijn eerste liefde was geschiedenis, maar het waren de jaren tachtig: de kansen op de banenmarkt waren gering. Voor de opleiding journalistiek in Utrecht werd hij uitgeloot. Bleef politicologie over.

De zorgen van zijn ouders en van mensen in zijn dorp – ‘wat doet zo’n jongen in Amsterdam?’ – bleken onterecht. Wat hij daar vooral deed was lezen. Het vak boeide hem en hij las alles. „Sommige mensen vinden dat raar. Vragen me: deed je geen leuke dingen dan? Natuurlijk wel. Maar ik vond die boeken gewoon prachtig. En de zesjescultuur zit niet in mij.”

Hij genoot ook van de hoorcolleges. „Lucas van der Land. Zegt niemand meer iets. Hij stond model voor een personage uit De Avonden van Gerard Reve. Schitterende verhalen over politieke filosofie. Ademloos naar geluisterd. Hoe boei je de nieuwe generatie? Dat is altijd belangrijk geweest in mijn werk.”

Na een korte periode als economieleraar – in die hoek waren wel banen – kon hij in 1984 aan de slag bij bestuurskunde in Leiden en tegelijk zijn promotieonderzoek doen bij Hans Daudt in Amsterdam. Over de grondpolitiek waarover meerdere kabinetten waren gestruikeld, waaronder het kabinet Den Uyl.

Een up hill battle

Zijn belangrijkste werk bij de Leidse universiteit was vanaf 1999 het opzetten van een campus in Den Haag. Dat was nieuw: een vestiging van de universiteit buiten de eigen stad. Het werd een groot succes. Meer dan 20 procent van de studenten van de Universiteit Leiden, 4500 in totaal, zit tegenwoordig in Den Haag.

De campus was zelfs zo’n succes dat het college van bestuur in Leiden uiteindelijk op de rem begon te trappen. Den Haag moest niet té groot worden. Leiden was het hart van de universiteit. De Vries en de stad Den Haag – waar de huidige onderwijsminister Ingrid van Engelshoven wethouder was – wilden juist doorgroeien. „Ik voerde een up hill battle, bovendien zat ik er al zestien jaar en dat is te lang. Het was tijd voor iets anders.”

De Vries ging terug naar zijn roots. Friesland. De Rijksuniversiteit Groningen zocht een nieuwe man voor de op te richten Campus Fryslân. Pionierswerk. Precies wat hij ook in Den Haag had gedaan. „Dit was nog moeilijker dan Den Haag. Je zit in de periferie. Hoe krijg je daar studenten, docenten en onderzoekers naartoe? Daarover maakte ik me zorgen.”

Campus Fryslân begon in september van dit jaar. Vlak voor het vertrek van De Vries en – hij houdt nu eenmaal van geschiedenis – precies twee eeuwen na de sluiting van de universiteit in Franeker. De elfde faculteit van de RUG is begonnen met 27 bachelorstudenten aan wat het paradepaardje moet worden: University College Fryslân. Daarnaast zijn in Leeuwarden 110 masterstudenten aan de slag.

Dat aantal moet de komende jaren hard omhoog. „Een bescheiden start, daarmee hadden we rekening gehouden. In Den Haag kostte het ook vier jaar voordat het op gang kwam.”

Docenten en onderzoekers zijn naar Friesland gekomen. Overal vandaan. „En het blijkt dat die buitenlandse onderzoekers nog meer interesse in de Friese taal en geschiedenis hebben dan ik. De nieuwe decaan van de campus, Oostenrijker Andrej Zwitter, vindt Workum de mooiste stad van Nederland.”

Een Stadjer aan zijn zijde

Ook besturen en organiseren vond De Vries al jong leuk. Net als schrijven. In Balk zat hij in allerlei verenigingen en hij schreef en regisseerde de jaarlijkse cabaretvoorstelling. Toen hij een nieuwe actrice zocht tipte iemand hem dat er een nieuwe kleuterjuf op school werkte. „Die moet je eens vragen.”

De lerares was een Groningse, Margriet Ekens, dochter van een installateur in de Oude Boteringestraat. „Ik was gewend dat de meeste mensen op toneel wel deden wat ik zei. Zij was anders. Dat vond ik wel interessant.”

Zo ontmoette hij zijn vrouw.

Met een echte Stadjer aan zijn zijde bestiert De Vries nu de Groningse universiteit. Een universiteit die de blik vaak op het buitenland heeft gericht. Internationalisering heeft de RUG groot gemaakt maar de laatste jaren nemen de tegengeluiden toe. Niet alleen de groei, ook de dominantie van het Engels in het onderwijs en de – uiteindelijk door de universiteitsraad geblokkeerde – plannen in China hebben tot grote zorgen en kritiek geleid.

Geen China, maar Drenthe, Friesland en Groningen

De Vries is kritisch op de omstreden campus die de RUG wilde oprichten in de Chinese stad Yantai, onder meer vanwege de omvang. Het universiteitsbestuur werkt onder zijn leiding aan een ‘herijking’ van die plannen.

„Internationalisering en globalisering worden met enorme tegenkrachten geconfronteerd. Dat zie je vaker in de geschiedenis. Er komt altijd een reactie. Het genereert onzekerheid en onduidelijkheid en daarover moeten we goed nadenken. Internationalisering blijft belangrijk, maar dat kan alleen doorgaan als je de regio goed op orde hebt.”

Dat, denkt hij na zijn eerste drie maanden, is het belangrijkste waaraan hij de komende jaren gaat werken. De universiteit nog meer gronden in Groningen. En niet alleen in Groningen, ook in Friesland en Drenthe. „Echt een universiteit van het Noorden worden. Draden spannen tussen Groningen, Leeuwarden, Assen, Emmen. Samen met de hogescholen.”

De regio heeft het nodig. Als we van het gas af moeten zijn er nieuwe economische sectoren nodig. De noordelijke provincies moeten meer samenwerken, analyseert de bestuurskundige in hem. „De bestuurlijke druk is hier groter dan ik ooit heb meegemaakt. Er zijn heel veel bestuurders, heel veel organen, iedereen wil zijn zegje doen en praat erover. Dat is allemaal prachtig, maar daardoor gaan de ontwikkelingen niet snel genoeg.”

Als de bestuurders het zelf niet kunnen moet de universiteit het voortouw maar nemen. „We moeten plannen maken. Dáárop zitten Den Haag en Brussel te wachten, niet op de vraag om meer geld en subsidie. Plannen. Als we daarnaar echt goed kijken hebben we in potentie dezelfde kracht als brainport Eindhoven. Dat kan hier ook.”

De Vries timmert met zijn vingers om zijn woorden kracht bij te zetten. De tijd van observeren zou weleens ten einde kunnen zijn. „Ik handel niet onmiddellijk”, zei hij al aan het begin van het gesprek. „Maar als ik handel, dan handel ik.”

Je kunt deze onderwerpen volgen
Groningen
menu