Samen met

Alleen een straatnaambord en het mannenkoor herinneren nog aan roemrucht verleden Pekelder sigarenfabriek Albatros

Reint Harm Koning, zijn vrouw Frouwina Meijer en hun kinderen. Foto: Archief De Roegbainders/Aaf Koning

De Pekelder Stichting De Roegbainders heeft veel materiaal van Aalje Tiktak in hun archief. Tiktak was geschiedenisleraar en hij legde als historicus de geschiedenis van gemeente Pekela vast. De stichting is bezig het materiaal van Tiktak te digitaliseren, zoals zijn epistel over sigarenfabriek Albatros.
Lees meer over
Streekblad

Reint Harm Koning overleed op 10 april 1939, zijn vrouw Frouwina Meijer elf jaar eerder. Zij lieten hun vier dochters en drie zoons een bloeiende familiebedrijf na: Sigarenfabriek Albatros, waar op het hoogtepunt van haar bestaan driehonderd mensen werkten. In 1971 valt definitief voor dit familiebedrijf, dat na de Tweede Wereldoorlog werd omgedoopt tot Champ Clark/Lugano, het doek.

Veertig jaar geleden, in 1982, ging de fabriek tegen de vlakte. Destijds waren nog twee dochters in leven. ‘‘Ik mag der nait noar kieken dat fabriek ondersteboven gait”, liet een van de twee zich ontvallen toen de sloophamer zijn werk deed.

Nadat Reint Harm en Frouwina trouwden, dreven ze een kruidenierswinkel in het pand wat ook wel bekend staat als de winkel van Foorman. Een ideale plaats voor een ‘grutterij’. De vele schepen die daar moesten worden geschut hadden hele gezinnen aan boord en dus moesten heel wat etenswaren worden ingekocht.

Het kleine fabriekje bij de sluis

Vanaf 1895 werden er door enkele sigarenmakers in het kleine fabriekje bij de sluis sigaren vervaardigd. Alles was handwerk en de productie niet groot. In die tijd rookte men voor twee cent al een goede sigaar. Reint Harm reisde per fiets de hele omgeving af om de producten aan de man te brengen. Het bedrijf groeide en in 1920 kon een nieuwe fabrieksgebouw worden gebouwd.

Het reusachtige pand van dokter Nanninga werd door de firma Koning aangekocht. Het had twee verdiepingen en achter waren stallen en een grote tuin. Daarop verrees de trotse Albatros. De drie zoons kwamen kwamen al op zeer jonge leeftijd in het bedrijf. De oudste, Harm specialiseerde op de verkoop, Tammo stortte zich op de boekhouding en Reint hield zich bezig met het technische gedeelte.

Sigarenmakers moesten grote vaardigheid hebben

Bij het bedrijf trad op 15-jarige leeftijd de jonge Harm (Appie) Schokkenbroek om te leren hoe sigaren te maken. Echte sigarenmakers moesten een grote vaardigheid hebben, anders kwam je nooit op een goed loon, want er werd op ‘stukloon’ gewerkt. Werknemers kregen 2,50 à 3,00 gulden per 1000 gedraaide sigaren; dat hing af of de sigaar 2, 5 of 3 cent was. Er werkten op dat moment 70 tot 80 sigarenmakers in de fabriek, 20 inpakkers, kistjesmakers, persers en ringers (plakten het sigarenband om de sigaar).

Afgezien van de met de hand gedraaide snijmachine was het stil in de fabriek. Het gebeurde indertijd vaak dat iemand een melodietje begon te neuriën, een ander dat overnam en weldra de hele fabriek uit volle borst meezong. Dat was het begon van het huidige Groninger christelijk mannenkoor Albatros.

Reint Harm Koning was gek met zijn fabriek en een goede ‘tabakskenner. Hij was in alle soorten tabak thuis en geen tabakshandelaar kon hem iets wijsmaken.

Na 1945 kwam de ene machine na de andere

Tijden veranderden echter. Vóór 1940 had de mechanisatie amper haar intreden gedaan, na 1945 kwam de ene machine na de andere. ,, Het liep de spuigaten uit”, aldus Schokkenbroek. De geweldige naoorlogse vraag naar het product leidde tot steeds meer machines. Overal waar maar een plaatsje vrijgemaakt kon worden, zaten sigarenmakers koortsachtig te werken. Meer dan 300 mensen verdienden in de fabriek hun boterham. In de hoogtijdagen werden er maar liefst 10.000 sigaren per uur gemaakt.

Met de groei van het personeelsbestand groeiden ook de problemen. Het familiebedrijf was in veel opzichten te klein: qua management, qua kapitaal, qua productiecapaciteit. In 1969 werd de fabriek landelijk bekend, toen de vrouwelijke werknemers in staking gingen toen ze ontdekten dat hun mannelijke collega’s meer verdienden. Na tussenkomst van communistenvoorman en stakingsleider Fré Meis ging de directie overstag en kregen de vrouwen meer loon.

Het begin van het einde

Het was het begin van het einde. De verkopen liepen terug, de marktpositie verzwakte, de zoektocht naar een fusiepartner had geen succes, wat leidde tot liquiditeitsproblemen, en uiteindelijk sluiting van de fabriek. De directieleden zochten ander werk of gingen met pensioen, en van de personeelsleden kwamen velen in de ww terecht of traden vervroegd uit.

Nu herinnert alleen de straatnaam en natuurlijk het mannenkoor nog aan het roemrijke verleden van Albatros.

Dit artikel is het product van een samenwerking tussen de redacties van Dagblad van het Noorden en Streekblad

Nieuws

menu