Hemd van het lijf met Fokko Trip

Fokko Trip.

Medewerker Rie Strikken van de leukste krant in de regio vraagt elke week een inwoner van de Kanaalstreek en Westerwolde het hemd van het lijf. In aflevering 173 is het de beurt aan Fokko Trip uit Stadskanaal.

Fokko Trip komt uit een warm, liefdevol nest, hij kwam de eerste jaren van zijn leven niets tekort, maar het gezin maakte ook moeilijke tijden mee. Hij is een echte Bunermonder. Fokko: “Net als Els, mijn medespeelster bij toneelclub UDI. Wij wonen allebei al jaren in Stadskanaal, voelen ons Knoalsters, maar zet twee Bunermonders bij elkaar en er is een niet te definiëren chemie. Els ervaart dat ook zo.”

Wanneer ben je geboren?

“Op 8 april 1965. In Bunermond. Ik heb een oudere en een jongere zus. Het was een echt vrouwenhuishouden. Ik werd flink verwend. Mijn ouders waren buren: opa Trip had een garage, opa Poelman was slager. In de tuin zochten mijn vader en moeder elkaar op.

Ik heb een heerlijke jeugd gehad in een liefdevol gezin. Mijn vader had een houthandel, mijn moeder was er vooral voor ons kinderen, maar hielp ook in het bedrijf. Ik herinner mij de leuke vakanties naar het buitenland, Griekenland in de zomer en Oostenrijk in de winter. Toen mijn vader moest stoppen met de zaak ging hij bij mijn oom in de garage werken.

Ik kon net lopen, toen ik al een crosser onder de kont had. Pa was ook gek op motorsport. Vanaf mijn elfde reed ik wedstrijden. Pa en ik gingen ook 30 jaar naar de TT, we waren altijd samen. Toen ik 24 was zijn ‘we’, pa ook, gestopt. Als buurtkinderen waren wij altijd buiten. Als we niet crossten dan bouwden we hutten, er was immers ruimte genoeg! Dat crossen doe ik trouwens nu nog steeds, maar heb ik de motor ingeruild voor een mountainbike.

Stadskanaal

Op mijn veertiende verhuisden we naar Stadskanaal. Dat was wel even een omschakeling. Maar, na een jaar ging ik dat ‘stadse’ leven toch wel leuk vinden. Ik ontdekte karate en basketbal. Ik ben ook tien jaar lang basketbaltrainer van onze zoon Cees geweest.


Dikke dreumerd

Qua leren was ik een dikke dreumerd, leefde in een andere wereld. Dus moest ik maar naar de Ambachtsschool. Maar ik was totaal niet handig. Nou, dan maar naar MAVO. Na het examen kreeg ik het advies om naar de MEAO te gaan, dat leek me niks. Ik wou naar de HAVO. Op het Ubbo begon ik letterlijk en figuurlijk te groeien. Ik was lang heel klein gebleven, maar toen kwam er schot in. Het jonkie uit Bunermond kwam in aanraking met allerlei nieuwe mensen, ik keek mijn ogen uit, vond het geweldig. Ik had altijd het hoogste woord, wilde lol maken. Het ging veel te mooi en ik bleef prompt zitten. Uiteindelijk slaagde ik voor de HAVO. De Kunstacademie was net too much. Maar wat wel? Ik wou naar het atheneum. De conrector zei: ‘dat kun jij niet’. Nou, zeg nooit tegen mij dat ik iets niet kan.

RSG

Ik meldde me bij de RSG in Ter Apel met mijn magere cijferlijst, maar ik nam wel mezelf mee. Daar mocht ik het proberen. Op mijn brommertje tufte ik elke dag op en neer. Dat was ook weer zo’n fascinerende omgeving. Je had daar nog het internaat, waar kinderen van uitgezonden Shell werknemers op zaten. Verhalen dat die hadden! En in de vrije tijd altijd feest.


Voor het atheneum slaagde ik in een keer. Gelukkig moest ik nog in dienst, dus de beroepskeuze kon ik even uitstellen. In het leger was ik ordonnans: dat was weer één groot avontuur, ik leerde weer veel nieuwe mensen kennen! Door heel Nederland moest ik post brengen en halen: ik kwam overal! Uit dienst deed ik wat iedereen deed die niet wist wat ie wou: ik ging rechten studeren in Groningen. Die studie was het niet voor mij. Ik ging na drie jaar bij Studiefinanciering werken. Inmiddels was ik bij Thea ingetrokken.

Thea

Thea zat op de MAVO een klas boven mij. Ik vond haar toen stilletjes al leuk. Maar zij keek over dat kleine ventje heen. Na militaire dienst ging ik, inmiddels flink langer geworden, uit, en zag haar weer staan. Ik zei: ‘Hai Thea’. Ze herkende de mooie jongen met de dikke bos krullen, die ik toen was, in eerste instantie niet. We kregen verkering en ik trok bij haar in. Zij is al jaren anaesthesie-verpleegkundige bij Treant. Ik pielde die eerste jaren maar een beetje aan. We hadden een mooi leven met veel reizen. Ook de kinderen hebben we veel van de wereld laten zien.

In 1994 zijn we getrouwd. We hebben altijd geluk gehad met huizen. In ons eerste koophuis hoefden we alleen maar de plafonds te sauzen. We zijn een paar keer verhuisd. Telkens hielpen Thea haar ouders met klussen. Nu passen ze nog op de hond, vroeger pasten ze op de kinderen samen met mijn ouders, we hebben veel aan ze te danken. Cees is geboren in 1994, Floor in 1998. Ook de kinderen hebben we veel landen en steden laten zien. De Amerika-reis, met ons vieren, was de reis van ons leven. Cees en Floor zijn de deur uit, het zijn leuke sociale mensen geworden. Dat vind ik zo’n rijkdom! Er is wel eens wat, maar ik ben heel erg van het harmonie-model. Wij laten conflicten niet dooretteren. Wij zijn er open in, praten erover. Zo komen we er altijd uit. Ik ben een rasoptimist, zie altijd het positieve. Dat scheelt. Ik ben ervan overtuigd dat dat komt door mijn solide basis in zo’n warm, liefdevol gezin. Mijn ouders waren er altijd voor ons. Mijn vader is een paar jaar geleden overleden. Na een beroerte was hij erg beperkt, maar we zijn dankbaar voor de tijd die hij nog bij ons was. Mijn moeder redt zich heel erg goed. Vroeger aten ze samen elke donderdag bij ons, nu komt zij alleen en dat is altijd reuze gezellig.

UDI

Zij waren ook mijn grootste UDI-fans. Bij UDI kwam ik terecht door onze Margrieta, zij speelde er al. Mijn zus en ik waren de eerste niet-Roomsen bij de katholieke toneelclub. De toenmalige voorzitter, Herman Ronde, loste dat als volgt op: hij doopte een pleebozzel in een emmer water en met ferme uithalen besprenkelde hij ons er royaal mee. ‘Zo’, zei Herman, ‘nou heurst d’r ook bie!’ Dat was in 1991, ik kwam binnen in het warme UDI-bad. Ik heb net mijn dertigjarig jubileum bij de club gevierd.

In mijn eerste rol speelde ik een boef met de tekst ‘Halt, of ik schiet!’ Het tweede jaar had ik een dubbelrol, dat was mijn doorbraak als komisch talent. Als boertje moest ik op een gegeven moment met mijn rug naar de zaal staan en mijn klompen uitdoen. Ik zei tegen de regisseur: ‘Is het een idee als ik me dan quasi-achteloos aan de kont krab?’ ‘Nee’, riep de regisseur, ‘als je dat maar laat!’ Ik deed het bij de première tóch! De hele zaal kwam niet weer bij van het lachen.

Optiekvak

Na Studiefinanciering ben ik het optiek-vak ingerold. De opleiding en werken deed ik in Winschoten. Daarna heb ik de brillenwinkel bij het OMC Noord in Groningen opgezet. In het OMC (Oogheelkundig Medisch Centrum) werd ik contactlensspecialist. Toen de leidinggevende met pensioen ging vroegen ze of ik belangstelling voor die functie had. Daarvoor moest ik wel een HBO-opleiding management volgen. Zo gezegd zo gedaan. Achttien jaar later maakte ik de overstap naar Menicon, een Japans bedrijf. Het is de grootste producent van op maat gemaakte contactlenzen in Europa.

Bij een bezoek aan het Japanse moederbedrijf was ik zwaar onder de indruk van de Japanse mentaliteit van orde, netheid en respect voor de medemens.


Nogal netjes

Dat streef ik zelf ook na, ik ben nogal netjes. UDI is mijn uitlaatklep. Sinds 2019 ben ik voorzitter. We hebben zulke prachtige dingen beleefd: het honderdjarig bestaan, in 2018, met onze legendarische STAR-uitvoering ‘de Spooktrein’ in de openlucht, maar ook de opvoering van Dizzepie Dizzepu, het Groningstalige stuk van Geert Teis.

We hebben bij UDI samen zoveel ideeën voor de toekomst, daarbij vullen we elkaar allemaal goed aan, het is een geweldig stel! Het is elke keer prachtig om te mogen spelen voor een uitverkocht Geert Teis. Als na afloop het applaus klinkt, denk ik: ‘Hier doe ik het voor’, en geniet van al die blije mensen die met een lach op hun gezicht naar huis gaan.”

Rie Strikken



Je kunt deze onderwerpen volgen
Stadskanaal
menu