Het huis moet leeg, maar wat te doen met de racefiets? | column Wieberen Elverdink

Journalist Wieberen Elverdink ( 40) woont met zijn vrouw en drie kinderen in een middelgroot dorp, centraal in het Noorden. Hij schrijft over kleine en grote gebeurtenissen in het (dorps)leven.

Wieberen Elverdink.

Wieberen Elverdink.

Het aller-allerlaatste dat ik meenam uit het oude huis voor ik de deur – en daarmee een aanzienlijk deel van mijn leven – achter me dichttrok, was de racefiets.

Het was een week geweest vol harde keuzes over een karrenvracht aan spulletjes. Over bezittingen waarvan we het bestaan waren vergeten en die nu plots tevoorschijn kwamen bij het leeghalen van de bergruimtes achter de knieschotten – ach kijk, die peuterfoto’s op canvasdoek, en hé, de verzamelde Pinkeltje -werken.

Maar ook over zaken die we ooit hadden weggestopt in garage of zolderkast, bewaard bij de gratie van onze besluiteloosheid, maar nu, bij de verhuizing, toch om een definitief vonnis vroegen.

Opvallend hoe resoluut je ineens kon zijn als het écht moest, als er een aanhangwagen naar de stort klaarstond voor vertrek en je à la minute knopen moest doorhakken.

De roze meisjesskeelers met de lamme wieltjes: weg. Het beduimelde dienblad waarop we schooltraktaties serveerden: doei.

De kroonluchter met Pip-lampenkapjes: leuk voor de weggeefhoek.

Maar die racefiets…

Al jaren hing het rijwiel onaangeroerd in de garage. Nou ja, af en toe veegde ik een web tussen de spaken weg, of gaf ik een slinger aan de pedalen.

Ooit had ik ‘m gekocht in een vlaag van wielerenthousiasme, een rank ding waarvan de lak van blauwwitte metalliek zo verleidelijk twinkelde in de zon. Ik had er grote plannen mee: we zouden samensmelten, die fiets en ik, en hij zou mee op vakantie naar de Alpen. Hij heette nota bene ‘Stelvio’, naar de beruchte Italiaanse bergpas waar Fausto Coppi in 1953 als eerste bovenkwam. Mijn fiets was gemaakt voor de toppen en ik zou hem er moedig naartoe voeren.

Maar, zo schreef ik al eens eerder , de enige berg die ik er sindsdien op beklom was de Col de la Honte , de Berg van Schaamte, nadat ik een dorp verderop mijn voet niet tijdig uit het klikpedaal bevrijdde en onder luid applaus van een vol terras bij Café van der Weij onmachtig omtuimelde.

Een enkele keer gingen we daarna nog uit rijden, de Stelvio en ik, maar de liefde bekoelde. Ik zette ‘m op Marktplaats. Al snel meldde zich een geschikte koper, maar enkele uren voor die de racefiets zou ophalen kreeg ik wroeging en blies ik de transactie af. Want stel dat ik tóch nog eens de geest zou krijgen? Dat ik ‘m tóch weer nodig had?

,,Zul je altijd zien’’, zei Sijmen, de kroegbaas in ons dorp, toen ik er laatst met hem over sprak. Jarenlang bezat hij zo’n manshoge softijshoorn van kunststof, die als blikvanger voor zijn zaak diende. Voortdurend stond het hem in de weg, verplaatste hij het logge ijsje van berging naar terras en weer terug, maar weggooien durfde hij het niet. Wie weet kwam het ooit nog van pas.

Op een dag was Sijmen het reclame-ijs zat en loosde hij het in een container van de milieustraat. Even later ging zijn telefoon; een kennis, die vroeg of hij dat softijsding nog had.

,,Zul je altijd zien’’, verzuchtte de waard nog eens.

Daar dacht ik aan, op de drempel van het oude huis, het ravenzwarte stuurlint van de Stelvio onder mijn handen.

En ik besloot: ik hou ‘m.

Nog heel even dan.

wieberen.elverdink@lc.nl

Twitter: @WElverdink

Je kunt deze onderwerpen volgen
Leven
menu