Af en toe neemt de begeerte van kunstenaars naar onsterfelijke roem nogal potsierlijke vormen aan | column Jean Pierre Rawie

Iedere zichzelf respecterende kunstenaar hoopt dat zijn werk hem zal overleven, wat eigenlijk raar is, want na zijn dood merkt hij daar óf niets meer van óf het laat hem volmaakt onverschillig in het glorieuze hiernamaals waaraan hij deel heeft (de keuze is, al naar gelang diens levensbeschouwing, aan de lezer).

Jean Pierre Rawie.

Jean Pierre Rawie. Foto: Marcel Jurian de Jong

Die overweging zou misschien de reden kunnen zijn waarom sommigen op hun sterfbed het vernietigen hunner artistieke nalatenschap bepleiten, een wens die de voltrekkers van hun laatste wil doorgaans gelukkig negeren. Zo verlangden, om maar twee vermaarde voorbeelden te geven, zowel de zieltogende Aubrey Beardsley als Franz Kafka dat hun oeuvre van de aardbodem zou verdwijnen, wat gelijk u weet niet gebeurd is.

Je hebt tegenwoordig wel kunstenaars die opzettelijk dingen maken met een beperkte houdbaarheidsdatum (één der architecten van het Groninger Museum verklaarde bij deszelfs oplevering dat het de bedoeling was dat de boel binnen vijftig jaar in elkaar zou donderen; het gebouw staat er overigens al sinds 1994 – het wordt nog spannend), maar dat blijven toch uitzonderingen.

Aan het verlangen naar onvergankelijkheid ligt mijns inziens de extase ten grondslag die het vervaardigen van kunst, naast alle narigheid die er ook bij komt kijken, veroorzaakt. Ter wille van de haast erotische vervoering die een geslaagde creatie bij de maker teweegbrengt, neemt hij alle tegenslag en mislukking voor lief. Scheppen gaat wellicht van Au, maar geeft daarnaast onuitsprekelijke voldoening. En alle Lust will Ewigkeit.

Af en toe neemt de begeerte naar (en het vertrouwen op) onsterfelijke roem nogal potsierlijke vormen aan. De dichter Willem Kloos zag kans een sonnet dat met de prachtige regels De boomen dorren in het laat seizoen / En wachten roerloos den nabijen winter begint, te verknoeien met rijmen als spoên en woên , waarna hij besluit met Men moet niet van het lieve Doodzijn ijzen: / De doode bloemen keeren niet weêrom, / Maar Ik zal heerlijk in mijn Vers herrijzen . Dat lijkt me een schrale troost voor de aangesproken ‘Men’.

De Grieken en Romeinen hadden een dusdanig naargeestig beeld van het schimmenrijk waarin ze uiteindelijk terecht zouden komen, dat daarbij vergeleken het bestendigen van hun naam bij volgende geslachten een stuk nastrevenswaardiger was. Te dien einde ging hun geen zee te hoog.

Als je zelf over geen enkel talent beschikte, kon je niettemin bekendheid verwerven door iets kapot te maken wat algemeen mooi gevonden werd. Het beruchtste geval in dezen is de man, die de Artemistempel te Efeze, één van de zeven wereldwonderen, in brand stak. De rechters die hem vervolgens ter dood veroordeelden, trachtten zijn voornemen te fnuiken door het noemen van zijn naam strafbaar te stellen, maar tevergeefs: men spreekt zelfs nu nog van het syndroom van Herostratos.

In de renaissance herleefde de klassieke roemzucht. De Vlaming Justus de Harduwijn (1582-1636) zingt in een klinkdicht de lof van een tijdgenoot, ‘constig schilder’ Ferdinand Bert, en huldigt hem, onder verwijzing naar het prototype van de kunstschilder uit de oudheid, als ‘Apelles onzer eeuw’; de hoogst denkbare lof. In de moderne standaarduitgave van Harduwijns gedichten staat een noot van de tekstbezorger: ‘Ferdinand Bert. Heb ik niet kunnen identificeren’.

Je kunt deze onderwerpen volgen
Columns
menu