Column Herman Sandman: Nooit meer roken

Portret Herman Sandman

Portret Herman Sandman Foto: Marcel Jurian de Jong

Een oude foto. Mijn vrouw, toen nog vriendin, heeft een sigaret in de mond. Ziet er raar uit. Alsof ze een ander is. Zoals we in coronajaar 2020 kijken naar beelden van mensen die elkaar omhelzen, zo zien we op onszelf terug als rokers. We denken: ieuw.

Ik werkte in de drukkerij, iedereen rookte en nergens was een asbak. De talloze peuken op de vloer voelde ik door de zool van de dikke werkschoen. Op een dag rilde ik van afschuw. Ik stopte.

In mijn vistas zat twintig jaar lang een pakje shag. De tabak rook nog steeds heerlijk. Eén keer kon ik de verleiding niet weerstaan.

,,Ga je nu dood’’, vroeg jongste zoon. Het was de allerlaatste trek.

Ik zeg het soms tegen collega’s. ,,Stop toch eens jongens.’’

Ik zeg het soms tegen voetbalouders. ,,Stop toch eens jongens.’’

Al snap ik ze. Ik weet hoe lekker het is. Maar ik snap mezelf beter. Want ik weet ook hoe niet lekker het is.

Oudste zoon begint soms over smoken . Dat is iets anders dan roken. Want een jonko is iets anders dan een sigaret. Ik heb hem een auto van een duur merk beloofd als hij tot zijn 21e niet drinkt, rookt en smookt. Geen idee hoe ik dat ding ga betalen, maar hij houdt vol.

Als de jongste iemand ziet roken, wappert hij met de handen. Het ziet er heel overdreven uit, maar ik ben er blij om.

Zoons zeggen dat op school nauwelijks wordt gepest. Ze zijn zo doodgegooid met antipest-campagnes, dat geen mens er nog zin aan heeft.

Zo moet het met roken. Als we maar volhouden, denken onze kinderen ook: ieuw.

Je kunt deze onderwerpen volgen
Columns
menu