Column Jean Pierre Rawie: Oude bleke autochtoon

Gedurende een aanzienlijk deel van mijn niet bepaald onbewolkte jongelingschap was onze hond, inderdaad, mijn beste vriend.

Jean Pierre Rawie.

Jean Pierre Rawie. Foto: Marcel Jurian de Jong

Hij was van onbestemd ras, bruin met een witte bef, en ofschoon strijdlustig waar het wedijverende mannetjes betrof een goedhartige lobbes. Wel bleek hij behept met een onversneden vreemdelingenhaat.

In het achterlijke stadje waar ik mijns ondanks opgroeide, woonden geen zwarte mensen, maar er waren wel gastarbeiders uit Marokko en Turkije, tegen wie hij vervaarlijk gromde. Ook sloeg hij steevast aan bij nadering van wat toen nog ‘Ambonezen’ heetten, die in een naburig kamp gehuisvest waren (over de schandalige behandeling der Molukkers een andere keer, als u het goed vindt).

Netjes opgevoed, en door mijn ouders ervan doordrongen hoe verwerpelijk iedere vorm van rassenwaan was, gevoelde ik me hevig gegeneerd over de vooringenomenheid van het stomme beest. Meestal wandelde ik, de wederstrevige hond meetrekkend, zo snel mogelijk door; verontschuldigingen zouden de zaak alleen maar erger maken.

Mijn eerste ontmoeting met wat destijds, zij het steeds besmuikter, een ‘neger’ genoemd werd, verliep ongelukkig. Ik woonde nog thuis in bovengenoemd stadje, maar ging al wel in Groningen naar het gymnasium. Op een dag bezocht ik met een vrindje de boekhandel Scholtens op de Grote Markt. In enig verband kwam Godfried Bomans ter sprake, en ik verklaarde met de wijsneuzigheid die me in die jaren eigen was: ,,Bomans is geen autoriteit.” Ik had er geen erg in, maar deze opmerking trok de aandacht van een zwarte jongeman die achter ons stond.

Even later op straat liep hij opeens naast ons, en wenkte me het Tingtangstraatje bij het Koude Gat in. Daar begon hij me onverhoeds ferme klappen te geven, terwijl hij bij herhaling vroeg: ,, No activity ?! What d’you mean : no activity ?!” Het duurde even voordat ik begreep waar hij op doelde, en het viel niet mee het misverstand op te helderen. Wonderlijk genoeg geloof ik dat mijn verontwaardiging groter geweest zou zijn indien mijn belager bleek was geweest.

Misschien dat mijn betrekkelijke mildheid werd ingegeven door berichtgeving omtrent de ook toen reeds geruchtmakende rassenrellen te Amerika, en enig begrip voor de positie van de zwarte medemens in onze samenleving, omdat ik zelf als kind ongenadig was gepest, en wist hoe het was buitengesloten te worden (volgens activisten zijn deze dingen natuurlijk niet met elkaar te vergelijken, maar voor mijn gevoel wel).

Tot een paar weken geleden wijdde ik zelden een gedachte aan het ‘alledaagse racisme’, waarover nu zoveel te doen is – geen kunst voor een oude bleke autochtoon –, maar dat wil niet zeggen dat ik me er nooit aan heb bezondigd.

Eens, op een donkere novemberavond ging ik de deur uit, toen er juist twee luidruchtige zwarte mannen met hoodies langsbanjerden (ik denk dat mijn argwaan, in het kader van mijn weerzin tegen welke soort gezichtsbedekking ook, allereerst die hoodies gold, maar toch). Ik sloot mijn woning zorgvuldig af, en volgde hen, van wantrouwen aangaande hunne bedoelingen vervuld, richting het café waar ik had afgesproken. Na een paar honderd meter betraden zij ongedwongen het toenmalige universiteitshotel. Het waren gewoon geleerden.

Je kunt deze onderwerpen volgen
Columns
menu