Column van Jean Pierre Rawie: Gerrit en het geluid

Het afgelopen jaar viel ik van de ene verbazing in de andere met betrekking tot mijn medeburgers. Dit volk, dat zich ooit zo fier teweer stelde tegen de wrede Spanjool, en kortgeleden nog en masse verzet bood aan den Mof, bleek aanmerkelijk gedweeër dan ik op grond van zulk een heldhaftig verleden verwacht had.

Jean Pierre Rawie.

Jean Pierre Rawie. Foto: Marcel Jurian de Jong

De meesten lieten zich zonder morren al hun verzetjes ontnemen, ook in streken waar de gevreesde vleerpest, althans tijdens de eerste ophokking in maart, in het geheel niet heerste. Vanaf het moment dat de zinledige mondkapjes verplicht werden, draagt iedereen ze, hoewel bijna iedereen weken met hetzelfde exemplaar op zak loopt, waardoor zelfs elk denkbeeldig nut verloren raakt, en het een louter symbolische aangelegenheid geworden is.

Daar komt bij dat die verplichting in strijd is met de eerder aangenomen en niet ingetrokken wet die gelaatsbedekking verbiedt. Daar zou juridisch een boeiende zaak in zitten, maar voor zover ik weet is er nog geen proefproces aanhangig gemaakt.

Het was Benjamin Franklin die erop wees dat wie vrijheid opoffert ter wille van veiligheid beide niet waard is, maar dit inzicht is voor de over ons gestelden en het grootste deel van de bevolking kennelijk te hoog gegrepen.

Het meest trof mij de bereidheid van velen een ander erbij te lappen. Gedurende de voorjaarsmaanden belden tallozen 112 om door te geven dat ze drie mensen in een voorbijrijdende auto hadden gesignaleerd, waarvan ze het nummer genoteerd hadden. Wanneer ik op straat liep en het onschuldige kuchje liet horen, dat me al jaren af en toe overvalt, was er vaak iemand die riep: ,,Jij moet thuisblijven!” (Ik had natuurlijk kunnen terugschelden, want tot een eventueel handgemeen zou het op anderhalve meter afstand niet zijn gekomen, maar ik hield me in.)

Die ingebakken neiging tot geklik wordt overigens van hogerhand bevorderd, met mediaspotjes over het vermoeden van huiselijk geweld en ‘Meld misdaad anoniem’. Het aangeven van derden gold tijdens de bezetting als verraad, ofschoon de toenmalige overheid na de vlucht van koningin en regering volgens menigeen het officiële gezag uitoefende.

Het nieuws meldt met enige regelmaat dat de politie een feestje heeft beëindigd na een ‘tip’; dat klinkt beter dan ‘verraad’, maar het is hetzelfde. Ik woon in een studentenbuurt waar je van tijd tot tijd avondlijk rumoer hoort, dat wijst op een samenzijn van meer personen dan toegestaan is. Mijn levensgezellin en ik zouden er niet over peinzen de ordedienst daaromtrent in te lichten, en ik heb de indruk dat mijn straatgenoten er gelukkig eveneens te fatsoenlijk voor zijn.

Dit brengt me op mijn vriend Jakob, die een tijdje een kamer boven het Groningse café Stadtlander bewoonde. Hij had een buurman, Gerrit, die elke overtreding der huisregels aan de eigenaar meldde: dat Jakob een meisje over de vloer had bijvoorbeeld, of dat zijn fiets in de gang stond. Op zekere nacht besloot Jakob hem iets te klikken te geven, en sloeg langdurig hartstochtelijk met zijn broekriem op een bank, luid roepende: ,,Smerige hoer! Ik zal je!! Kutwijf!!!” of gelijkluidende kwalificatiën.

Gerrit logeerde die nacht helaas bij zijn ouders.

Je kunt deze onderwerpen volgen
Columns
menu