Het gerief van uitgaan is groot. De opdringerige nabijheid van medemensen ontbreekt en je kunt je jas kwijt op de stoel naast je | column Jean Pierre Rawie

Jean Pierre Rawie.

Jean Pierre Rawie. Foto: Marcel Jurian de Jong

De dag vóór de algehele vleerpestophokking, in december vorig jaar, haastten wij ons naar De Oosterpoort in Groningen, waar we al maanden eerder kaartjes hadden geregeld voor een Beethovenrecital. Bij aankomst bleek het cultuurcentrum evenwel in duisternis gehuld, en nadere bestudering wees uit dat wij beschikten over toegangsbewijzen voor december 20 21 .

Hierdoor niet ontmoedigd, wilden we per se naar het eerste concert waarbij weer publiek welkom was: een optreden van de gebroeders Jussen op 13 april in diezelfde Oosterpoort. Daartoe diende je je eerst te laten oormerken in een commerciële ‘teststraat’ op het suikerterrein. Het was er druk en koud, en de wachtenden moesten van een barse, zelf niet gemuilkorfde, opziener ook buiten in de rij een mondkapje op. Het kost me af en toe geen enkele moeite me iemand in een bepaald uniform voor te stellen.

Maar na alle ontberingen brak het heerlijk avondje aan. In de zaal heerste een feestelijker sfeer dan gebruikelijk bij klassieke muziekuitvoeringen. Iedereen zat twee aan twee op grote afstand van elkaar, en er waren tafeltjes waarop men meegebrachte consumpties kon neerzetten. Van mij mocht het voortaan wel zo blijven. We hadden de broertjes vroeger meegemaakt, en ze waren inmiddels zichtbaar groter geworden, maar hun samenspel was er niet minder ontwapenend om.

Ook in de cinema’s is het, nu die weer open zijn, aanzienlijk aangenamer dan vroeger. De opdringerige nabijheid van medemensen ontbreekt, en je kunt je jas kwijt op de stoel naast je. Natuurlijk begrijp ik dat één en ander financiële gevolgen heeft voor de bioscoopeigenaar, maar louter vanuit mijn bezoekende zelf beschouwd, is het gerief groot.

In de maanden die achter ons liggen, werd er veel geklaagd over het gebrek aan vertier voor de jongeren, die ook nu nog verstoken blijven van meerdaagse festivals en niet naar nachtdiscotheken mogen. Dat is reuze sneu, maar de oudjes onder ons werd gedurende lange tijd eveneens hun grootste verzetje ontzegd, want alle uitvaarten hadden opeens in besloten kring plaats.

Er zullen nabestaanden geweest zijn die zulks alleen maar toejuichten, want een plechtigheid zonder gasten is een stuk goedkoper. Daarenboven is het doorgaans meer ‘in de geest van de overledene’, maar ik heb al eerder betoogd dat zo’n afscheid – het woord zegt het al – de rouwenden geldt, en niet de dode.

Nu er weer meer genodigden bij herdenkingen toegelaten worden, krijg ik de indruk dat die er ook weer in groter getale zijn. Ik heb tenminste de laatste tijd zeker eens per week het zwarte pak aan moeten trekken (dat laatste bij wijze van spreken, want ook hiervoor kleedt men zich allengs informeler).

De organisatie neemt in de aula nog steeds strikt de regels in acht, door de stoeltjes op gepaste afstand van elkaar neer te zetten, doch in de aangrenzende koffiekamer wordt daar merkwaardig genoeg helemaal niet meer op gelet, en knuffelt iedereen elkaar naar hartenlust, zeker wanneer er niet alleen koffie, maar ‘in de geest van de overledene’ ook wijn of iets sterkers geschonken wordt.

Door de ontwenning was ik bijna vergeten hoe potsierlijk sommige uitvaartleiders (m/v) zich kunnen gedragen, maar daarover een andere keer.

Meer cultuur? Kijk op dvhn.nl/cultuur

Je kunt deze onderwerpen volgen
Columns
menu