Hoogbejaarde Italianen moet je niet vermoeien met je eigen politieke-correctheid | column Marjan Koekoek

Marjan Koekoek

Marjan Koekoek

Hij moet ons hebben zien gaan toen we vanochtend vertrokken uit het dorpje. Misschien heeft hij de hele dag wel zitten wachten tot we terugkwamen. Het is nog wel een eindje voor hij bij ons is, en we lopen nog aan de overkant van de weg ook. Maar heel zijn figuur maakt duidelijk dat hij ons moet hebben. Zijn blik is strak op ons gericht. Zo snel als zijn oude, blote benen hem kunnen dragen, komt hij naar ons toe.

Als we stug doorlopen en de andere kant uitkijken, dan redt hij het nooit. Daarom zwaait hij met zijn hand om onze aandacht te trekken. Nou vooruit, we lopen wel even naar hem toe.

Hij begint in rap Italiaans te praten (als alle Italianen). Hij wil weten bij wie we op bezoek zijn. Of we zijn teruggekomen in het dorp. Ik lach vriendelijk, de taal niet erg machtig. Het is niet anders dan de oude mensen vroeger die wilden weten: ‘Van wel ben joe d’r ain? Van Jaap, of van Anko?’ Zijn vraag is ook niet heel gek, als je bedenkt dat veel mensen uit het dorp zijn weggegaan. Er is zelfs een monument voor alle emigranten. Maar familiebanden blijven sterk, kennelijk.

In mijn houtje-touwtje Italiaans leg ik uit dat we toeristen zijn. Di Hollanda. Ik heb een hekel aan dat ‘Holland’, maar hoogbejaarde Italianen die net een spurt hebben afgelegd moet je niet vermoeien met je eigen politieke-correctheid.

De man straalt nog altijd en excuseert zich voor de vergissing. Hij dacht dat we familie waren, van iemand uit zijn dorp. Fijne dag verder. We zwaaien.

Bij Italianen voel je je heel snel thuis.

Je kunt deze onderwerpen volgen
Columns
Column
Column
menu