Heeft de allesoverheersende vleerpestdreiging mij ook iets rooskleurigs gebracht? | column Jean-Pierre Rawie

Jean Pierre Rawie.

Jean Pierre Rawie. Foto: Marcel Jurian de Jong

Nu de allesoverheersende vleerpestdreiging gestaag lijkt te worden teruggedrongen, en het leven, althans te onzent, weer enigszins overeenkomst begint te vertonen met vroeger tijden, is het juist en passend te bedenken of de doorstane periode mij, naast ergernis en ongerief, ook iets rooskleurigs gebracht heeft.

Welaan. Als zovelen stemde het me niet ontevreden dat er een zekere spaarzaamheid in manuaal werd betracht, en wij elkaar, in de woorden van F.B. Hotz, niet meer ‘dienden te befoezelen als begerige blinden’. De schaarse medemensen die daarvoor in aanmerking kwamen, bleef ik gewoon aanraken.

Voorts heb ik me de ophokking ten nutte gemaakt door een geleerd boek te schrijven over mijn ervaringen met het vertalen van poëzie. Dat klinkt misschien niet erg opwindend, maar het is naar ik hoop een onderhoudend werkje geworden. Het was nieuw voor mij, omdat dit eigenlijk het eerste ‘echte’ boek is, dat ik als zodanig geschreven heb. Alle vroegere uitgaven waren verzamelingen van reeds bestaande gedichten, verhalen en beschouwingen.

Ook vond ik het een wonderlijke gewaarwording deel te hebben aan iets waar de ganse wereldbevolking in ongeveer eendere mate bij was betrokken. Dat gaf een gevoel van saamhorigheid met andere stervelingen, terwijl je paradoxaal genoeg nergens heen kon, en teruggeworpen was op de kleinst mogelijke leefruimte.

Daarenboven strekte het me tot voldoening dat België, voor het eerst in bijna twee eeuwen, een tijdlang weer oranje kleurde. Voor alle duidelijkheid, ik heb het niet over voetbal.

Maar nu het woord gevallen is: nauwelijks is de boel een beetje ‘versoepeld’, of de voetbalhysterie beheerst het openbare leven. Eén dezer zonovergoten avonden zaten mijn levensgezellin en ik wijn te drinken op onze geriefelijke binnenplaats waar het rumoer van de straat gewoonlijk nauwelijks doordringt, maar nu werd ons de conversatie schier onmogelijk gemaakt door luid schallende aanmoedigingsliederen.

Zo hoorde ik André Hazes’ hymne Wij houden van Oranje , met de onsterfelijke regels Nederland O Nederland / Jij bent mijn kampioen / Wij houden van Oranje / Om zijn daden en zijn doen. Vooral de laatste zin is verrassend, al haalt die het niet bij Andrés dichterlijke ontboezeming in een eerdere tekst: Ik zag je staan op het perron / En wou dat ik je kon.

In tegenstelling tot mijn kunstbroeders Driek van Wissen en Willem Wilmink heb ik nooit enige geestdrift kunnen opbrengen voor de voetbalsport (ook niet voor andere sporten trouwens). Vooral Willem was zeer fanatiek; hij kon in oudtestamentische toorn ontsteken als de telefoon ging terwijl hij een wedstrijd zat te kijken, en lang niet iedereen was op de hoogte van de speeltijden van Manchester United. Dat leidde bijwijlen tot langdurige verwijderingen.

Naarstig zoekwerk en een strenge selectie heeft mij op latere leeftijd een kennissenkring opgeleverd die even weinig om het spel geeft als ik, maar bij de buitenwereld oogst mijn gebrek aan belangstelling nog immer bevreemding. Ooit schreef ik op deze plaats dat de bemoeienis van 24 kort gebroekte miljonairs met een stuk leer mij volledig koud liet. De redactie, die nog niet geheel aan mijn wijze van uitdrukken gewend was, wilde mij tegen spotternij in bescherming nemen, en verbeterde het aantal braaf in 22.

Je kunt deze onderwerpen volgen
Columns
Column
menu