We rijden langs een akker waar een boer prei aan het rooien is. ‘Ruikt lekker’, zegt jongste zoon | Column Herman Sandman

Portret Herman Sandman

Portret Herman Sandman Foto: Marcel Jurian de Jong

Een groene tractor kruipt over het land. Fendt, gokken we. Bescheiden formaat, niet zo’n bakbeest. Een oudje, zo lijkt het. Op de neus en achter het voertuig rooiwerktuigen. Maar niet voor bieten of aardappelen. Het gewas ziet er anders uit en waar de trekker is geweest staat nog een enkele spriet overeind.

Prei.

Het land ligt bezijden een provinciale weg, waarover jongste zoon en ik rijden. Het is avond en we zijn op weg naar voetbaltraining.

,,Ruikt lekker’’, zegt hij. ,,heerlijke geur zelfs.’’

,,Prei’’, zeg ik, ,,fantastisch aroma, ja. Verslavend bijna.’’

In de eerste jaren in ons huis verbouwde de boer in het bos ook prei. Het bleef echt heel lang staan. De typische geur waaide regelmatig onze kant op en hoorde bij de kleuter- en basisschooltijd van zoons. De eerste meters op de fiets van oudste, het begraven van weer een kat in de tuin, voetballen met de jongste, je rook altijd prei.

Mijn kennis van prei is desondanks zeer beperkt. Van mij hoort hij dus niet dat de Soemerische koning Ur-Nammu rond 2100 voor Christus prei liet telen in de tuinen van Ur en dat de piramidebouwers en Grieken en Romeinen het aten. De Romeinse keizer Nero was er dol op. Ze noemden hem ook wel Porrophagus : preivreter.

We kijken naar de tractor in het late licht, snuiven de lucht nog even goed op en zijn dan voorbij het preiveld.

,,Echt lekker’’, zegt hij.

,,Supergezond’’, zeg ik, ,,maar we eten het echt nooit als groente, ik weet niet waarom.’

Je kunt deze onderwerpen volgen
Columns
menu