Doordromen | column Daniël Lohues

Daniël Lohues

Daniël Lohues

Droomde dat ik naar huis kon. Ik was ergens, weet niet precies waar, maar ik kon naar huis. Dat gaf een heel goed gevoel. Er moest eerst nog wel wat gebeuren voordat ik echt weg kon, maar ik bracht alvast wat dekens en mijn kussen naar de auto. Een legergroene, elektrische auto. Ik liep nog een keer, om een mandoline en een gitaar op de achterbank te leggen en kreeg toen van een stem te horen dat het nog niet de bedoeling was dat de auto al ingepakt werd. Dat kon me niks schelen. Ik dacht: ‘Ben hier straks toch weg, dan heb ik hier met niemand meer wat te maken.’ Voelde me geweldig. Nog even en ik zou fluitend over de mooiste wegen rijden, langs glooiende, goudgele stoppelvelden, tot de maan groot en oranje zou opkomen. Kreeg vlinders in de maag bij die gedachten. Snel liep ik nóg een keer naar de auto om de tas erin te zetten. Weer die stem. Dat ik nog niet weg kon. Toen begon ik hardop te zingen dat niemand me iets kon maken. Het galmde in die enorme parkeergarage, die verder nogal leeg was. Had me lang niet zo goed gevoeld. Straks kon ik mooi naar huis.

Nieuws

menu