Hij wordt, lopend door zijn Groningen, soms overvallen door een gevoel van eenzaamheid. De generatie van Piet van Dijken, hij is 73, is bezig te verdwijnen | column Herman Sandman

Herman Sandman Foto: Marcel Jurian de Jong

Hij wordt, lopend door zijn stad, soms overvallen door een gevoel van eenzaamheid. De generatie van Piet van Dijken, hij is 73, verdwijnt langzaam. Ik ken weinig mensen die niet regelmatig met hem lunchen of dineren, maar Mister Big City moet altijd zelf het initiatief nemen.

,,Nou...’’, zeg ik, ,,toen jij appte zat ik toevallig net aan je te denken, zo van: we moeten nodig weer eens afspreken.’’

Hij schudt het hoofd. We lopen naar een uitspanning net buiten het centrum. De meikermis heeft bezit genomen van de Grote Markt en de herrie maakt een gesprek lastig. Piet wijst trots op zijn schoenen. Bedrukt met het leesplankje dat wij voor onze neus kregen op de lagere school. ,,Kijk, bijpassende riem. Ook aap-noot-mies.’’

Als hij de kaart bestudeert vraagt Piet: ,,Jij lust geen ei toch?’’

,,Ik neem’’, zeg ik quasi geïrriteerd, ,,altijd gepocheerd ei als wij hier zitten. Wordt het minder met jou? Ik zal dat in een stukje zetten: Piet weet het ook allemaal niet meer.’’

We praten over vroeger en nu, over Groningen, de stad die zo van hem is en hij zo van de stad, over al die paradijsvogels die er niet meer zijn en hij haalt herinneringen op uit zijn jeugd. ,,Cuby speelde in Daddle Doofy, dat was een jeugdsoos. Ik net 17. Wordt er tegen twaalven omgeroepen: ‘Wil Piet van Dijken naar de uitgang gaan. Zijn moeder wacht daar.’ Daar loop je dan, iedereen kijken.’’

Waarna Mister Big City even later verzucht: ,,Ik had toch naar Amsterdam moeten gaan.’’

Nieuws

menu