De Chinese tuin in Haren staat op instorten. Doodzonde dat hij nabij de barbaarse universiteitsstad Groningen is gebouwd en niet in het beschaafde Leiden | opinie

De Chinese tuin in de Hortus Haren is een monument van Europees belang. Foto: Bert Jippes

Het stelselmatig verwaarlozen van musea en culturele instellingen is in Groningen een universitaire traditie, stelt Tom S. Hageman. Volgens hem kan een voorbeeld worden genomen aan universiteitsstad Leiden.
Lees meer over
Opinie

Groningen is de op één na oudste universiteitsstad van Nederland. De Rijksuniversiteit Groningen werd gesticht in 1614, 40 jaar na de universiteit van Leiden (1575). Maar de bedrijfscultuur van de Groninger universiteit is veel ouder dan die in Leiden, die stamt uit de tijd waarin de Hunnen Europa verwoestten.

Universiteiten zijn in een stad van zowel wetenschappelijk als van cultureel belang. Hoe groot dat belang is, is goed zichtbaar in universiteitssteden.

Leiden heeft 125.000 inwoners, de universiteit ca 30.000 studenten en de stad telt maar liefst 15 musea en culturele instellingen, waarvan een groot aantal gelieerd zijn aan een wetenschappelijk achtergrond, zoals het museum Boerhaave, het museum voor Volkenkunde, Naturalis, Corpus, het Academisch Historisch museum, het Anatomisch museum, de Hortus Botanicus, het Nederlands Instituut voor het Nabije Oosten, het Rijksmuseum voor Oudheden en het Japanmuseum ‘Sieboldhuis’. Daarnaast heeft Leiden ook nog kunst- en streekmusea: de Lakenhal, Young Rembrandt, Leids Weverhuis, American Pilgrim museum en Museummolen ‘de Valk’.

Steekt armoedig af

Groningen steekt daar heel armoedig bij af. De stad heeft 200.000 inwoners, de Rijksuniversiteit telt 34.000 studenten en het aantal musea kom niet verder dan het Groninger Museum, het Grafisch museum GRID, het Scheepvaartmuseum, het Wallhouse, het (particuliere) stripmuseum (nu Storyworld in het Forum) en jawel, de RUG doet mee met het Universiteitsmuseum en de Hortus.

Enkele belangrijke universitaire musea in Groningen zijn in 2003 ter ziele gegaan. Het Anatomisch-Pathologisch museum was van supranationaal belang. Het was namelijk een museum-museum, nog geheel in de negentiende-eeuwse staat ingericht (te vergelijken met het Teylers Museum in Haarlem, of het Missiemuseum in Steyl). De collectie werd vanaf de achttiende eeuw opgebouwd met eerst de verzameling van Petrus Camper (1722-1789) en uitgebreid door latere hoogleraren.

Het is door een barbaars universiteitsbestuur om zeep gebracht, en wel in twee fasen, de pathologische collectie werd al in de jaren ‘60 geruimd, het Anatomisch Museum werd in 2003 gesloopt. Een deel van het historisch erfgoed is domweg vernietigd: ooggetuigen beschrijven hoe studenten tussen twee containers een achttiende-eeuws preparaat op sterk water in de ene container goten, daarna de glazen pot in de andere mikten. Wat overbleef ging naar het depot van het Universiteitsmuseum.

Voorwerpen uit tribale culturen

Ook in 2003 trof het Volkenkundig Museum Gerardus van der Leeuw een vergelijkbaar lot. Dat museum beheerde een unieke collectie voorwerpen uit schriftloze, tribale culturen – en was daarin van nationaal belang. De basis was alweer een collectie van een hoogleraar: professor Van Baaren, en werd later uitgebreid met diverse bruiklenen en legaten. Die collectie had overigens niets te maken met roofkunst, etnografica is al sinds mensenheugenis voor een grijpstuiver te koop, zeker in het land van herkomst, en wat een eeuw geleden nieuw was verworven is inmiddels antiek en zeldzaam geworden.

Om een voorbeeld te noemen, Theodorus Niemeijer van de Groninger koffie- en theefabriek bood rond 1900 zijn arbeiders een dubbeltje wanneer ze het pakpapier van de thee ongeschonden wisten los te wikkelen. En zo verzamelde hij een belangrijke collectie Japanse prenten.

De collectie van het Volkenkundig Museum telde circa 10 duizend kunst- en gebruiksvoorwerpen van inmiddels onschatbare waarde. Een deel ging terug naar de bruikleengevers of hun erfgenamen, de rest naar het depot van het Universiteitsmuseum.

Chinese tuin op instorten

Dit universitair barbarendom zet zich onverminderd voort in het beleid(?) rond de Hortus. De tropische kas is al ter ziele, de Chinese tuin, ‘Het Verborgen Rijk van Ming’, staat op instorten. De laatste is een van de drie historische Ming-tuinen buiten China (de twee andere zijn te vinden in Sidney, Australië en Montreal, Canada) en is alweer een monument van Europees belang. De bouw in 1995 werd voor 7,5 miljoen gefinancierd door stad en provincie Groningen, fondsen en sponsoren en ook door Shanghai, dat de architect, professor Le Wei Zhong, bouwlieden en bouwmaterialen ter beschikking stelde.

Het is een uniek bezit dat na de opening in het dagblad Trouw lyrisch werd bezongen: ‘Rijk versierde paviljoens, grillige stroompjes, muren met fantasierijke draken, rotspartijen en kronkelende paden: bij de Hortus in Haren is een stukje keizerlijke rijkdom uit China opnieuw tot leven gekomen.’

Maar volgens de Groninger universitaire traditie werd het complex stelselmatig verwaarloosd, met verkrotting als resultaat. Er is zeker een miljoen nodig om de tuin in oude luister te herstellen. Maar het Hortusbestuur mag niet op zoek naar het geld, zoals onlangs viel te lezen (‘Bestuur Hortus Haren voorlopig in wachtkamer’, DvhN , 24-08). Het is dan ook doodzonde dat deze tuin nabij de barbaarse universiteitsstad Groningen is gebouwd en niet in het beschaafde Leiden.

Tom S. Hageman is beeldend kunstenaar te Groningen

Nieuws

Meest gelezen

menu