Oorlog voeren op afstand kost meer dan je denkt: minder gevaar voor de eigen militairen, maar voor de lokale bevolking kan het net zo dodelijk zijn | opinie

Een kinderschoen in het puin, 2017, Irak. FOTO ANP/AFP

Oorlog voeren zonder boots on the ground betekent minder gevaar voor de eigen militairen, maar kan voor de lokale bevolking net zo dodelijk zijn. Wat je niet ziet, bestaat wel. De Nederlandse regering moet bij militaire missies open zijn over de risico’s voor burgers en verantwoordelijkheid nemen als het misloopt.
Lees meer over
Opinie

E en kinderschoentje dat uit het puin steekt. Snikkende mannen, gezichten met bloed en stof besmeurd. Beelden die we kenden uit oorlogen ver weg, waren ineens gemaakt bij ons om de hoek. De mensen uit het Journaal stonden bij sommige lezers letterlijk op de stoep, rolkoffertje in de hand of knuffel onder de arm.

De gezichten verschilden, maar de taferelen had ik eerder gezien, in Irak, in Syrië. Ook toen vluchtten mensen voor bommen. Net als nu konden veel bewoners niet op tijd wegkomen uit oorlogsgebied. Omdat ze het geld niet hadden, zieke familieleden niet konden of wilden achterlaten, of omdat ‘veilig’ van de ene op de andere dag was omgeslagen in ‘levensgevaarlijk’.

Voor de slachtoffers is een oorlog niet over als het schieten ophoudt. Ontheemde Oekraïners hopen ooit terug te keren naar huis, maar het zal nog jaren duren voor het land er weer bovenop is. In Irak en Syrië liggen nog steeds steden en dorpen in puin.

Bijna zeven jaar na een Nederlandse luchtaanval op de Iraakse stad Hawija is slechts een deel hersteld van de zesduizend geheel of gedeeltelijk verwoeste gebouwen, blijkt uit een net gepresenteerd onderzoek van vredesorganisatie Pax en de Universiteit Utrecht.

Wat gebeurde er ook alweer?

In de nacht van 2 op 3 juni 2015 bombardeerde de internationale coalitie onder leiding van de Verenigde Staten een bommenfabriek van terreurbeweging Islamitische Staat (IS) in de Iraakse stad Hawija. Door de grote hoeveelheid explosief materiaal die daar lag, werd niet alleen de fabriek weggevaagd, maar ook een groot deel van de omliggende woonwijken. Tientallen burgers kwamen om, honderden raakten gewond. Volgens een recent gepubliceerd onderzoek van vredesorganisatie Pax en de Universiteit Utrecht was de persoonlijke en materiële schade nog veel groter dan eerder geraamd. In 2020 beloofde de Nederlandse regering ruim vier miljoen euro uit te trekken voor projecten die bijdragen aan de wederopbouw van het getroffen gebied. De twee geselecteerde projecten worden uitgevoerd door VN-organisaties IOM en UNDP en komen langzaam van de grond.

Naast de 85 dodelijke slachtoffers die de onderzoekers telden – meer dan de oorspronkelijk genoemde 70 – waren er honderden gewonden. Velen van hen wachten nog steeds op een fatsoenlijke medische behandeling, omdat die noch in de tijd van de IS-terreur, noch in het kapotgeschoten naoorlogse Irak beschikbaar was.

Gruwelijk mis

De internationale coalitie tegen Islamitische Staat (IS) werd opgericht toen de terreurbeweging oprukte in Syrië en Irak en lokale troepen de strijd niet konden winnen. Vanaf eind 2014 deden Nederlandse gevechtsvliegtuigen mee.

Die inzet was uiteraard niet te vergelijken met de Russische inval in Oekraïne of de Russische luchtsteun aan de Syrische dictator Al-Assad. Waar Rusland er meermalen van is beschuldigd moedwillig burgerdoelen te bestoken, was de bedoeling van de coalitie juist om bij luchtaanvallen de lokale bevolking zoveel mogelijk te sparen.

Dat ging gruwelijk mis in de nacht van 2 op 3 juni 2015. Een Nederlandse F-16 bombardeerde een bommenfabriek van de terreurbeweging op het industrieterrein van Hawija. Er volgde een enorme explosie, die getuigen later zouden beschrijven als ‘een aardbeving’ of zelfs een ‘kernbom’. Huizen, scholen en winkels werden verwoest, mensen onder het puin bedolven. Volgens militaire evaluaties bleek de hoeveelheid explosief materiaal in de fabriek achteraf veel groter dan was ingeschat. Behalve inwoners van Hawija kwamen die nacht veel ontheemden uit andere delen van Irak om het leven.

Dat de fatale bom uit Nederland kwam, verzweeg de Nederlandse regering ruim vier jaar. Er moest journalistiek graafwerk aan te pas komen om het hoge woord eruit te krijgen. Ook de Verenigde Staten waren als leider van de coalitie niet bepaald scheutig met informatie. Pas in 2021 werden, onder druk van de rechter, documenten vrijgegeven waaruit bleek dat het risico op burgerdoden stelselmatig was onderschat.

‘Meest precieze oorlog ooit’

De luchtoorlog tegen IS werd de ‘meest precieze oorlog ooit’ genoemd. Dankzij het gebruik van precisiewapens kon heel nauwkeurig het beoogde doel worden geraakt. Het risico op burgerdoden zou daardoor tot een minimum beperkt zijn. In de discussie over het bewapenen van verkenningsdrones, opgelaaid in het licht van de Oekraïne-oorlog, gebruikten Kamerleden onlangs wederom het precisie-argument.

Precisie is echter geen garantie dat er geen onschuldige slachtoffers vallen. Als je je doel precies raakt, maar je had het verkeerde huis aangekruist op de kaart, dan heb je niet zoveel aan die precisie. Uit New York Times -onderzoek blijkt dat Hawija geen uitzondering was: in één op de vijf onderzochte bombardementen in Irak waren burgerslachtoffers gevallen. Om allerlei redenen zagen militairen de aanwezigheid van burgers vaak over het hoofd of schatten ze het effect van een bombardement verkeerd in.

Meedoen aan een oorlog lijkt makkelijker als het ons niets ‘kost’. Voor Nederlandse militairen is het risico vanzelfsprekend veel kleiner als ze zelf niet ter plaatse zijn. Als er gevulde lijkzakken terugkomen, is de weerstand om bij een oorlog betrokken te raken bij het publiek veel groter. Dat zie je nu in Rusland: de lastigste critici van president Poetin zijn de boze moeders die niet weten of hun zoons nog leven. Hoe meer de soldaten op afstand zitten, des te onzichtbaarder de schade. De gevolgen van de Russische bombardementen in Oekraïne zien we dagelijks op onze tv- en telefoonschermen. Wat ‘onze’ bommen aanrichten in verre landen, krijgen we niet of nauwelijks te zien.

Het is wel zo eerlijk om de echte rekening inzichtelijk te maken voor de Nederlandse bevolking – tenslotte worden de wapens gestuurd in onze naam. De recente belofte van de regering om ‘structurele aandacht voor de risico’s op burgerslachtoffers’ te hebben bij de aankondiging van militaire missies, is te vrijblijvend. Journalisten en burgers moeten kunnen controleren wat er gebeurt en waar het eventueel is misgegaan.

En áls het misgaat, moet Nederland zich niet in alle mogelijke bochten wringen om de verantwoordelijkheid te ontwijken. Zoals één van de onderzoekers zei bij de presentatie van het Paxrapport: ,,We voelen zelf de gevolgen niet meer, dat maakt het moeilijk er iets om te geven. Maar niet minder belangrijk.’’

Onderzoeksjournalist Jannie Schipper won in 2019 samen met drie collega’s De Tegel, een journalistieke prijs, voor de onthulling dat bij een Nederlandse luchtaanval in Hawija in 2015 tientallen burgerdoden waren gevallen.

Nieuws

menu