Duiven | column Daniël Lohues

Daniël Lohues

Daniël Lohues

Lees meer over
columns

Hij werd die ochtend wakker van de duiven op zijn dak. Hij had ze gemist. Het geroekoe en het gefladder. Een poosje terug dacht hij nog dat ze niet meer naar zijn erf zouden komen. Maar nu waren ze er. En nog meer dan andere jaren. Hij deed het gordijn voor het grote raam alvast dicht. Het raam waar sommige duiven vaak met een behoorlijke bons tegenaan vlogen. Dan zag hij een vage duiven-afdruk op het raam. Een soort engeltje. De duif zelf lag dan of dood, of bij te komen onder het raam. Met het gordijn dicht had je dat niet. Dat de mensen dachten ‘waarom heeft hij midden overdag de gordijnen dicht?’ kon hem niks schelen. Moest hij dan de gordijnen overdag openlaten omdat dat zo hoort en ondertussen die arme duiven zich te pletter laten vliegen? Hij wist dat het misschien nog wel eeuwen kon duren voor de vogels zouden begrijpen wat ramen zijn. Vogels die nu al een vermoeden hebben, vliegen niet meer tegen ruiten aan. Die vogels planten zich voort. Vogels die nog steeds tegen ramen aanvliegen, gaan dood. Die sterven uit. Zo hou je op een gegeven moment alleen nog maar vogels over die weten wat een ruit is en dat je daar niet doorheen kunt vliegen. Maar zo ver zijn we nog niet. Ruiten bestaan nog niet lang genoeg. Evolutie gaat niet van de ene op de andere dag.

Nieuws

menu